Een laatste kortverhaal voor de schrijfcursus. Ik had al een lockdownverhaal over twee vrienden in een park, het triggerde de goesting om meer over die rare periode te schrijven. Research bracht me bij een van de pijnlijkste elementen daarvan.
Jef
DONDERDAG
‘We zitten met een virus, Maria. Net als in 1968 in Hong Kong, maar dan erger.’
Ze knikte, maar ze begreep er niets van. Dertig dagen lang al had ik het haar uitgelegd, elke dag opnieuw keek ze me vanuit haar gemakkelijke ligstoel met vragende ogen aan. ‘Gaat ons Sonja niet komen vandaag? Of ons Nele?’ ‘Ze mogen niet, Maria. Alleen Daniëlle mag je bezoeken.’
Wat ik hier nog doe: ik vraag het me elke dag opnieuw af, terwijl ik mijn kar met pillen door de gang duw. We hebben de bewoners op hun kamers gezet, de activiteiten stilgelegd: gedaan met kaarten, nu even geen bingo meer. We wilden geen risico, of zij dat nu wel wilden of niet.
Maar we gaan door.
Na Maria komt Jef, dat weet ik zonder mijn clipboard te raadplegen. Ik duw zijn deur wat meer open, manoeuvreer mijn kar rechtdoor. ‘Goeiemorgen, Jef!’ Hij kijkt me met blinkende ogen aan. ‘Morgen, meiske.’ Zo noemt hij me altijd. Tja, als je de tachtig haalt zal vijftig er wel nog meisjesachtig uitzien. Hij zit aan zijn tafel, zijn koffie dampt nog wat. Zonder morren slikt hij zijn pillen – er zijn anderen.
Een balpen ligt over zijn krant. ‘Je hebt je gazet al, zie ik?’ ‘Ik heb het kruiswoordraadsel zelfs al af’. Aan Jefs geheugen mankeert niets. Het is dat lijf van hem dat het laat afweten. Valse heupen, kapotte knieën, niets is nog origineel. En alles doet pijn, maar dat deert hem niet: zolang er leven is, is er hoop.
Het zou het motto van dit oord moeten zijn.
Kamer 34: Marcel. Hij ziet niets meer. Grauwe staar, heet dat dan. Eerst kon hij zijn dagblad nog lezen met een vergrootglas. Met de tv op hoog volume proberen de Formule 1 nog te volgen. Tegenwoordig zit hij gewoon in de zetel voor zich uit te staren. ’s Ochtends halen we hem uit bed, ’s avonds er weer in. Gelukkig krijgt hij veel bezoek.
Kleinkinderen; dat helpt als je hier moet leven. Er zijn zelfs achterkleinkinderen. Ze noemen hem Opa BimBam, omdat hij ooit uurwerkmaker was. Wat een mooie naam. Tegenwoordig moeten ze het stellen met wat wuiven aan het raam. Het is vooral belangrijk voor de kinderen. Hij ziet hen niet, maar als ik er toevallig in de buurt ben, fluister ik het hem wel in. Dan glimlacht hij, en heft hij zijn hand op.
Ik help Marcel zijn pil te nemen. Met een doekje veeg ik het beetje speeksel in zijn mondhoek af. Ik ontsmet mijn handen.
Nog drie kamers.
VRIJDAG
Maria was nog niet lang wakker. Ze zat nog in bed, maar wel al rechtop. Zo keek ze rond, alsof ze voor de eerste keer haar kamer in zich opnam – de televisie, de oude kast die uit haar appartement mee verhuisd was, de sanseveria’s – één en al verwondering.
Ze was het weer vergeten.
Opnieuw moest ik het uitleggen. Het breekt mijn hart—echt waar – elke keer.
Godverdomme.
Terwijl ik mijn handen voor de zoveelste keer ontsmet, hoor ik Jef al vrolijk roepen. ‘Meiske!’ En dat ik vlug moet komen. Aan zijn gehoor scheelt ook niets; hij heeft me horen komen. Ik storm bijna binnen. Zijn ogen fonkelen. ‘Ik denk dat ik eindelijk begrijp hoe zo’n sudoku werkt!’ Ik glimlach achter mijn masker. ‘Jij wel, Jef. Je moet het me ooit uitleggen.’
Noodgeval in kamer 37. Yvonne is gevallen in de badkamer. De stagiaire kon haar niet houden, en ze was op de natte vloer van de douche onderuit gegaan. Achterhoofd tegen de muur, die stagiaire met zich meesleurend op de grond. Elsie zag er lief uit toen ik haar kwam helpen; haar witte pak half doorweekt, haar ogen op een machteloos ‘sorry’.
Dat worden blauwe plekken de volgende dagen, voor beiden. En meer verwarring dan doorgaans. Bij Yvonne dan. Het gaat nu snel achteruit met haar. Gisteren begon ze over ‘de Fons’ alsof hij bij haar in de kamer was. Haar man is al vijftien jaar dood. Ze keek geschrokken toen ik daar een vraag over stelde.
Terug naar kamer 34. Marcel zit er rustig bij. Op de achtergrond staat de televisie te ratelen. Dat heeft hij graag. Het geeft hem het gevoel dat er iets van gezelschap is. ‘Alles ok, Marcel?’ Een gepiep ontsnapt hem. Zuchtende adem. ‘Jaaaa hoor.’
Het is slechter dan in de oorlog: dat heb ik al vaak gehoord van de bewoners. Toen hadden ze nog elkaar. Nu zitten ze elk op hun kamer, zonder gezelschap, zonder bezigheid.
ZATERDAG
Christa van kamer 31 heeft het moeilijk, hoor ik van Femke. Zover zijn we gekomen: de poetsvrouw hoort meer van de bewoners dan wij. Ik begrijp het. Terwijl ze de kamer onder handen nemen is er tijd voor een babbel. Femke heeft haar gerustgesteld, zegt ze. Dat het wel goed komt, dat Christa’s kleinkinderen binnenkort wel weer op bezoek mogen komen.
Ik hoop dat ze gelijk heeft.
Jef had een lastige kuch deze ochtend. Tegen de middag had hij hoge koorts. Rillend zat hij in zijn ligstoel, de tafel voor één keer te ver weg. We konden niet anders dan een ziekenwagen bellen. Hier waren dokters voor nodig. Pas daarna kon ik bij Maria aankloppen. Ik doe ondertussen geen moeite meer; ik vat de situatie kort samen, en als ze knikt heb ik mijn werk gedaan. Soms vraag ik me af of het niet beter is om net als zij niet te beseffen wat er gaande is.
Gisteren nog hoorde ik Josée klagen hoe het hier net een gevangenis leek. ‘We moeten steeds maar in onze kamer blijven.’ Ze heeft gelijk. We wilden een burcht bouwen tegen het virus, maar het draaide anders uit. Ik voel me tegenwoordig meer cipier dan verzorger. ‘Neen, Arlette, er is geen bingo. Dat kan niet door dat virus. Je moet op je kamer blijven.’ En dat elke dag tien keer.
Het was prachtig weer vandaag. De zon scheen zo fel dat we aan de achterzijde de gordijnen moesten dichttrekken. Toen ze zo in het halfduister werd gezet werd Arlette van kamer 35 kwaad. Om haar te kalmeren zijn we dan maar even in de tuin gaan wandelen, dan kreeg ze toch wat frisse lucht. Ik was er niet gerust op, dus ik ben bij haar in de buurt gebleven. Je weet nooit dat één van haar kleinkinderen haar vandaag zou bezoeken en te dicht zou komen…
Paranoïa? Spreek anders eens met de familie als we iemand verliezen.
ZONDAG
Ik verwachtte deze ochtend dat kamer 33 van het blad zou zijn verdwenen, maar neen. Het ziekenhuis wilde Jef niet aannemen, las het verslag van de nachtploeg. En dus was hij door de ambulanciers op een ongoddelijk uur opnieuw afgezet aan het tehuis. Ze konden er niet aan doen. Ze waren er zelf van aangedaan, maar Spoed nam hem niet aan: geen plaats, geen tijd, Jef was toch al oud.
Toen ik aan zijn kamer kwam – Maria was opnieuw helemaal van de wereld, ik heb het dan maar kort en bondig gehouden – lag hij op zijn bed te woelen, zijn adem onrustig en kort. Op zijn nachtkastje lag zijn krant onaangeroerd.
Ik heb even aan zijn bed staan wachten, maar ik ben geen medisch personeel. Ik ben er voor de troostende babbels, de vrolijke lach, het opschudden van een kussen, de badkamer. Snel ging ik er weer van door.
Yvonne is ondertussen bekomen van haar val. Ze lag in bed, met inderdaad een paar blauwe plekken rijker. Ze bekeek me wantrouwig, schoof achteruit. Ik denk dat ze me niet meer herkent.
MAANDAG
Ik stond op, en ik wist al niet meer waarom ik niet was blijven liggen. De krant kon me niet boeien. Ik staarde voor me uit naar de tuin, maar daar gebeurde ook niets.
De koffie was koud voor ik mijn derde kop kon inschenken.
Daarna sorteerde ik stukken van de nieuwe puzzel die ik gisteravond nog even had uitgepakt. Eerst de randen uit de massa halen, zodat ik het kader heb: zo werk ik altijd, maar vandaag kon ik me er niet in verliezen. Ik hield het vijf minuten vol.
Als een kip zonder kop scharrelde ik door het huis.
Ik begon dan maar met de afwas.
Het is gek om thuis te zijn op maandag. Iedereen trekt zich zuchtend opnieuw op gang voor een nieuwe week, ik mag eindelijk even uitblazen. Maar nu de kinderen het huis uit zijn, werden mijn rustdagen eindelijk ook echt dat. Niemand moet naar school gebracht, om vier uur wordt er geen koek verwacht. Het scheelt ook in wassen en strijken.
Tijd genoeg dus om even een berichtje naar Myriam te sturen. Hoe het met Jef ging? De ‘ping’ liet niet lang op zich wachten: niet goed.
Ik was beter naar buiten gegaan, maar het regende. En trouwens: daar valt dezer dagen ook niets te beleven. Het spannendste dat ik dezer dagen kan doen is boodschappen: zou er toiletpapier zijn? Altijd afwachten dat.
DINSDAG
Een nieuwe week, zelfde routine. Kamer 31: Christa zat zowaar een boek te lezen, met de radio op een oldies-zender. Het gaat beter met haar. Kamer 32. Neen, Maria, er mag ook vandaag niemand komen.
Kamer 33. Ik kon er waarschijnlijk niets doen, maar Lisa riep me toch binnen. Aan haar stem hoorde ik dat er iets was. Met een frons stond ze aan de rand van Jefs bed. De zon scheen vandaag uitbundig, gaf alles in de kamer een wazige, overbelichte kleur. Het bleke hout van het bed, de kasten, het ging allemaal nog wat meer over in de muren, het bed een witte vlek met daarop dat vertrokken lijf, happend naar adem onder een dun laken. Ik moest denken aan dat oude schilderij dat ik ooit in een museum zag; een heilige die met pijlen werd doorboord. Pijlen zie je echter komen; een virus niet. Lisa zat ernaast met een zorgelijke blik; haar hoofd schuin, haar hand rustend op de matras. Ik kon effectief niets doen.
Ik was alweer de gang op toen Lisa opnieuw zachtjes riep. Het was voorbij.
Kamer 34. Marcel? Hij zal wel ok zijn geweest – ik weet het niet meer. Ik heb mijn shift afgewerkt, maar ik was er niet meer. Kamer 35: Arlette. Kamer 36 Josée.
Ach ja.
Thuis ben ik in tranen uitgebarsten.
WOENSDAG
Sorry, Maria, vandaag heb ik hier geen geduld voor. Neen, er kan geen bezoek komen. Je weet het.
Een kamer verder hing nog een naambordje; het spelde leegte. Ik wilde niet, maar mijn blik gleed toch binnen: een bed met afgehaalde lakens, een tafel zonder persoonlijke spullen. De krant was al door iemand van de vroege shift meegenomen.Morgen komt Jaak, is ons gezegd. Het leven gaat door.
Het leven gaat dood, wil ik zeggen. Allebei zijn waar.
Kamer 35. Arlette zucht. ‘Onzelievenheer is me vergeten te komen halen’, zegt ze. Ik voel hoe warm ze is, en wil haar koorts meten, maar ze laat me niet. ‘Nee, nee, geen dokter bellen. Het is oké, laat mij maar gaan. Laat maar.’
Bij het buitengaan botste ik bijna met mijn kar tegen de deur.
(copyright Matthieu Van Steenkiste)


