Een laatste kortverhaal voor de schrijfcursus. Ik had al een lockdownverhaal over twee vrienden in een park, het triggerde de goesting om meer over die rare periode te schrijven. Research bracht me bij een van de pijnlijkste elementen daarvan.

Jef

DONDERDAG

‘We zitten met een virus, Maria. Net als in 1968 in Hong Kong, maar dan erger.’
           Ze knikte, maar ze begreep er niets van. Dertig dagen lang al had ik het haar uitgelegd, elke dag opnieuw keek ze me vanuit haar gemakkelijke ligstoel met vragende ogen aan. ‘Gaat ons Sonja niet komen vandaag? Of ons Nele?’ ‘Ze mogen niet, Maria. Alleen Daniëlle mag je bezoeken.’

Wat ik hier nog doe: ik vraag het me elke dag opnieuw af, terwijl ik mijn kar met pillen door de gang duw. We hebben de bewoners op hun kamers gezet, de activiteiten stilgelegd: gedaan met kaarten, nu even geen bingo meer. We wilden geen risico, of zij dat nu wel wilden of niet.
           Maar we gaan door.

Na Maria komt Jef, dat weet ik zonder mijn clipboard te raadplegen. Ik duw zijn deur wat meer open, manoeuvreer mijn kar rechtdoor. ‘Goeiemorgen, Jef!’ Hij kijkt me met blinkende ogen aan. ‘Morgen, meiske.’ Zo noemt hij me altijd. Tja, als je de tachtig haalt zal vijftig er wel nog meisjesachtig uitzien. Hij zit aan zijn tafel, zijn koffie dampt nog wat. Zonder morren slikt hij zijn pillen – er zijn anderen.
           Een balpen ligt over zijn krant. ‘Je hebt je gazet al, zie ik?’ ‘Ik heb het kruiswoordraadsel zelfs al af’. Aan Jefs geheugen mankeert niets. Het is dat lijf van hem dat het laat afweten. Valse heupen, kapotte knieën, niets is nog origineel. En alles doet pijn, maar dat deert hem niet: zolang er leven is, is er hoop.
Het zou het motto van dit oord moeten zijn.

Kamer 34: Marcel. Hij ziet niets meer. Grauwe staar, heet dat dan. Eerst kon hij zijn dagblad nog lezen met een vergrootglas. Met de tv op hoog volume proberen de Formule 1 nog te volgen. Tegenwoordig zit hij gewoon in de zetel voor zich uit te staren. ’s Ochtends halen we hem uit bed, ’s avonds er weer in. Gelukkig krijgt hij veel bezoek.
           Kleinkinderen; dat helpt als je hier moet leven. Er zijn zelfs achterkleinkinderen. Ze noemen hem Opa BimBam, omdat hij ooit uurwerkmaker was.  Wat een mooie naam. Tegenwoordig moeten ze het stellen met wat wuiven aan het raam. Het is vooral belangrijk voor de kinderen. Hij ziet hen niet, maar als ik er toevallig in de buurt ben, fluister ik het hem wel in. Dan glimlacht hij, en heft hij zijn hand op.
               Ik help Marcel zijn pil te nemen. Met een doekje veeg ik het beetje speeksel in zijn mondhoek af. Ik ontsmet mijn handen.

Nog drie kamers.

VRIJDAG

Maria was nog niet lang wakker. Ze zat nog in bed, maar wel al rechtop. Zo keek ze rond, alsof ze voor de eerste keer haar kamer in zich opnam – de televisie, de oude kast die uit haar appartement mee verhuisd was, de sanseveria’s – één en al verwondering.
           Ze was het weer vergeten.
           Opnieuw moest ik het uitleggen. Het breekt mijn hart—echt waar – elke keer.
               Godverdomme.

Terwijl ik mijn handen voor de zoveelste keer ontsmet, hoor ik Jef al vrolijk roepen. ‘Meiske!’ En dat ik vlug moet komen. Aan zijn gehoor scheelt ook niets; hij heeft me horen komen. Ik storm bijna binnen. Zijn ogen fonkelen. ‘Ik denk dat ik eindelijk begrijp hoe zo’n sudoku werkt!’ Ik glimlach achter mijn masker. ‘Jij wel, Jef. Je moet het me ooit uitleggen.’

Noodgeval in kamer 37. Yvonne is gevallen in de badkamer. De stagiaire kon haar niet houden, en ze was op de natte vloer van de douche onderuit gegaan. Achterhoofd tegen de muur, die stagiaire met zich meesleurend op de grond. Elsie zag er lief uit toen ik haar kwam helpen; haar witte pak half doorweekt, haar ogen op een machteloos ‘sorry’.
           Dat worden blauwe plekken de volgende dagen, voor beiden. En meer verwarring dan doorgaans. Bij Yvonne dan. Het gaat nu snel achteruit met haar. Gisteren begon ze over ‘de Fons’ alsof hij bij haar in de kamer was. Haar man is al vijftien jaar dood. Ze keek geschrokken toen ik daar een vraag over stelde.

Terug naar kamer 34. Marcel zit er rustig bij. Op de achtergrond staat de televisie te ratelen. Dat heeft hij graag. Het geeft hem het gevoel dat er iets van gezelschap is. ‘Alles ok, Marcel?’ Een gepiep ontsnapt hem. Zuchtende adem. ‘Jaaaa hoor.’
           Het is slechter dan in de oorlog: dat heb ik al vaak gehoord van de bewoners. Toen hadden ze nog elkaar. Nu zitten ze elk op hun kamer, zonder gezelschap, zonder bezigheid.

ZATERDAG

Christa van kamer 31 heeft het moeilijk, hoor ik van Femke. Zover zijn we gekomen: de poetsvrouw hoort meer van de bewoners dan wij. Ik begrijp het. Terwijl ze de kamer onder handen nemen is er tijd voor een babbel. Femke heeft haar gerustgesteld, zegt ze. Dat het wel goed komt, dat Christa’s kleinkinderen binnenkort wel weer op bezoek mogen komen.
           Ik hoop dat ze gelijk heeft.

Jef had een lastige kuch deze ochtend. Tegen de middag had hij hoge koorts. Rillend zat hij in zijn ligstoel, de tafel voor één keer te ver weg. We konden niet anders dan een ziekenwagen bellen. Hier waren dokters voor nodig. Pas daarna kon ik bij Maria aankloppen. Ik doe ondertussen geen moeite meer; ik vat de situatie kort samen, en als ze knikt heb ik mijn werk gedaan. Soms vraag ik me af of het niet beter is om net als zij niet te beseffen wat er gaande is.
           Gisteren nog hoorde ik Josée klagen hoe het hier net een gevangenis leek. ‘We moeten steeds maar in onze kamer blijven.’ Ze heeft gelijk. We wilden een burcht bouwen tegen het virus, maar het draaide anders uit. Ik voel me tegenwoordig meer cipier dan verzorger. ‘Neen, Arlette, er is geen bingo. Dat kan niet door dat virus. Je moet op je kamer blijven.’ En dat elke dag tien keer.

Het was prachtig weer vandaag. De zon scheen zo fel dat we aan de achterzijde de gordijnen moesten dichttrekken. Toen ze zo in het halfduister werd gezet werd Arlette van kamer 35 kwaad. Om haar te kalmeren zijn we dan maar even in de tuin gaan wandelen, dan kreeg ze toch wat frisse lucht. Ik was er niet gerust op, dus ik ben bij haar in de buurt gebleven. Je weet nooit dat één van haar kleinkinderen haar vandaag zou bezoeken en te dicht zou komen…
               Paranoïa? Spreek anders eens met de familie als we iemand verliezen.

ZONDAG

Ik verwachtte deze ochtend dat kamer 33 van het blad zou zijn verdwenen, maar neen. Het ziekenhuis wilde Jef niet aannemen, las het verslag van de nachtploeg. En dus was hij door de ambulanciers op een ongoddelijk uur opnieuw afgezet aan het tehuis. Ze konden er niet aan doen. Ze waren er zelf van aangedaan, maar Spoed nam hem niet aan: geen plaats, geen tijd, Jef was toch al oud.
               Toen ik aan zijn kamer kwam – Maria was opnieuw helemaal van de wereld, ik heb het dan maar kort en bondig gehouden – lag hij op zijn bed te woelen, zijn adem onrustig en kort. Op zijn nachtkastje lag zijn krant onaangeroerd.
               Ik heb even aan zijn bed staan wachten, maar ik ben geen medisch personeel. Ik ben er voor de troostende babbels, de vrolijke lach, het opschudden van een kussen, de badkamer. Snel ging ik er weer van door.

Yvonne is ondertussen bekomen van haar val. Ze lag in bed, met inderdaad een paar blauwe plekken rijker. Ze bekeek me wantrouwig, schoof achteruit. Ik denk dat ze me niet meer herkent.

MAANDAG

Ik stond op, en ik wist al niet meer waarom ik niet was blijven liggen. De krant kon me niet boeien. Ik staarde voor me uit naar de tuin, maar daar gebeurde ook niets.
           De koffie was koud voor ik mijn derde kop kon inschenken.
           Daarna sorteerde ik stukken van de nieuwe puzzel die ik gisteravond nog even had uitgepakt. Eerst de randen uit de massa halen, zodat ik het kader heb: zo werk ik altijd, maar vandaag kon ik me er niet in verliezen. Ik hield het vijf minuten vol.
           Als een kip zonder kop scharrelde ik door het huis.
               Ik begon dan maar met de afwas.

Het is gek om thuis te zijn op maandag. Iedereen trekt zich zuchtend opnieuw op gang voor een nieuwe week, ik mag eindelijk even uitblazen. Maar nu de kinderen het huis uit zijn, werden mijn rustdagen eindelijk ook echt dat. Niemand moet naar school gebracht, om vier uur wordt er geen koek verwacht. Het scheelt ook in wassen en strijken.
               Tijd genoeg dus om even een berichtje naar Myriam te sturen. Hoe het met Jef ging? De ‘ping’ liet niet lang op zich wachten: niet goed.

Ik was beter naar buiten gegaan, maar het regende. En trouwens: daar valt dezer dagen ook niets te beleven. Het spannendste dat ik dezer dagen kan doen is boodschappen: zou er toiletpapier zijn? Altijd afwachten dat.

DINSDAG

Een nieuwe week, zelfde routine. Kamer 31: Christa zat zowaar een boek te lezen, met de radio op een oldies-zender. Het gaat beter met haar. Kamer 32. Neen, Maria, er mag ook vandaag niemand komen.
           Kamer 33. Ik kon er waarschijnlijk niets doen, maar Lisa riep me toch binnen. Aan haar stem hoorde ik dat er iets was. Met een frons stond ze aan de rand van Jefs bed. De zon scheen vandaag uitbundig, gaf alles in de kamer een wazige, overbelichte kleur. Het bleke hout van het bed, de kasten, het ging allemaal nog wat meer over in de muren, het bed een witte vlek met daarop dat vertrokken lijf, happend naar adem onder een dun laken. Ik moest denken aan dat oude schilderij dat ik ooit in een museum zag; een heilige die met pijlen werd doorboord. Pijlen zie je echter komen; een virus niet. Lisa zat ernaast met een zorgelijke blik; haar hoofd schuin, haar hand rustend op de matras. Ik kon effectief niets doen.
           Ik was alweer de gang op toen Lisa opnieuw zachtjes riep. Het was voorbij.

Kamer 34. Marcel? Hij zal wel ok zijn geweest – ik weet het niet meer. Ik heb mijn shift afgewerkt, maar ik was er niet meer. Kamer 35: Arlette. Kamer 36 Josée.
               Ach ja.

Thuis ben ik in tranen uitgebarsten.

WOENSDAG

Sorry, Maria, vandaag heb ik hier geen geduld voor. Neen, er kan geen bezoek komen. Je weet het.
                          Een kamer verder hing nog een naambordje; het spelde leegte. Ik wilde niet, maar mijn blik gleed toch binnen: een bed met afgehaalde lakens, een tafel zonder persoonlijke spullen. De krant was al door iemand van de vroege shift meegenomen.Morgen komt Jaak, is ons gezegd. Het leven gaat door.
           Het leven gaat dood, wil ik zeggen. Allebei zijn waar.

Kamer 35. Arlette zucht. ‘Onzelievenheer is me vergeten te komen halen’, zegt ze. Ik voel hoe warm ze is, en wil haar koorts meten, maar ze laat me niet. ‘Nee, nee, geen dokter bellen. Het is oké, laat mij maar gaan. Laat maar.’
               Bij het buitengaan botste ik bijna met mijn kar tegen de deur.

(copyright Matthieu Van Steenkiste)

Af en toe kwam van die schrijfcursus ook een gedicht. En wat doet een mens dan? Hij schrijft over wat hij kent: muziek, en ook zijn lief.

Festivalwei

Weg wentelt de wereld
Wij zijn lijven
Gitaar meurt gevaar
Wij
Drijven

Wat hebben we gedanst die dag
Jij, wild, alsof ik er niet was
En ik je nu pas zag

Waarom ik hier wil zijn,
elke zomer en dan nog een keer.
Hoe jij je lege beker om de mijne schuift
telkens weer

(copyright Matthieu Van Steenkiste)

Een tweede tekst uit het portfolio voor de schrijfcursus.

Spin

Er kruipt een spin over de badkamerspiegel, boven je rechteroog. Je blijft er maar naar staren.

Hoe ben je hier beland? In deze hotelkamer, dit groezelig slaaphonk. Je wilde dat je kon zeggen dat je het niet wist, maar dat doe je wel. En je had het moeten weten. Hoe dacht je dat je er mee zou wegraken?
            Face it: je bent op de loop. Ze zitten je op de hielen. Hoe schat je het zelf in? Zes tegen één dat ze je inhalen?

Ja, duw dat voorhoofd maar tegen de spiegel. Alsof de reflectie daarvan voor dubbele hersenkracht zal zorgen. Kijk jezelf liever in de ogen. Wat dénk je? Zal het lukken? Ontsnap je aan je verdiende lot?
            Je weet niet eens waarheen. Je hebt geen plan. Neen, echt niet. ‘Wég’ is geen plan, ‘weg’ is een vlucht.

Oh. Juist, ja. Dat was het ook.
Proficiat. Je bent op de goeie – haha – weg dan. Al is dat misschien het verkeerde woord, want je hebt geen idéé hé? Je doet maar iets: in noordelijke richting weggereden omdat je zo sneller de stad uit was, en dan maar zien waar je uit zou komen.
            Heb je er al aan gedacht om geld af te halen? Nu, snel, voor ze kunnen traceren hoeveel verder je bent geraakt? Dénk, idioot. Maak van deze onzin dan een plan. Neem het stuur in handen. Ja, ik weet dat je het daarnet vasthad, maar ik bedoel: wéét wat je doet. Ga nù na wat je misschien nog van sporen kunt uitwissen. Komaan, je hebt genoeg Hollywood gezien. Je kent de technieken: op je stappen terug keren, verwarring zaaien, off the grid gaan.
            Had je je niet kunnen voorbereiden? Dan stonden we er nu beter voor.

Over een netwerk van barsten in de verf is de spin ondertussen tot in een hoek boven de wastafel geraakt, zie je. Elegant zweeft ze van rechts naar links, een draad achter zich aanslepend. Ze weeft, spant geduldig haar val voor wie durft in de buurt te komen.

Soms droom je van thuis. Vind je het nog altijd een goed idee hoe je daar ooit bent weggelopen? Dan maar alleen, dacht je. Je zou je weg wel vinden. En ja, je hebt gelijk. Het is je ook even gelukt. Gitaar spelen op straat: nooit gedacht dat het genoeg zou opbrengen, maar je zo hield je je staande. Je werd gids in het stedelijk museum. Je vond er verdorie pret in. En toen kwam zij er bij.
            Eindeloze uren heb je haar rondgeleid langs alles wat ze al wist. Ze werd je lief. Toen ze het museum van buiten kende, verkenden jullie de stad. Daar wist zij dan weer alles van. Je ontdekte cafés waar je nog nooit was geweest. In restaurants liet ze je exotische smaken proeven. Je wereld ging open.
            Jij, die nooit had gekookt, ontdekte zelf het fornuis. In een schamel huurflatje diende je haar de heerlijkste maaltijden op. Jullie hadden niet veel, maar het cliché was waar: jullie hadden elkaar.

Fuck man, ga nog een beetje rijmen, ja. Vind je het grappig, misschien? Zoek nu eens niet in elk hoekje humor. Niet. Nu.
            Niet nu. Denk.

Is dat je maag die daar bromde? Ai. Heb je spijt? Oh poor you. In tegenstelling tot je achtpotige vriend is er geen terugkrabbelen meer.
            Je had het niet mogen doen, ja. Neen: dat bedoel je. Je ziet haar blauwe kijkers nog, die waar je ooit in bent weggezonken – de ontzetting. Je sluit die van jezelf. Open je ogen, lafaard! Besef het. Zie opnieuw hoe dat vlees spleet, hoe ze rood openbloeide. Denk aan haar bloed dat je zelfs niet probeerde uit te wissen.
            Sla maar water in je gezicht. Sommige dingen krijg je nooit afgewassen.

‘Hoe snel weeft die spin?’, vraag je je af.
            Waar daarnet nog een paar draden hingen, spant nu al een imposant web. Een eenzame vlieg stevent af op haar ongeluk. Je zou willen schreeuwen ‘doe het niet!’ – maar wat kan een zielig insect jou schelen?

Oh kom niet af met die riedeltjes van ‘jamaarzij…’ en ‘ikwildeniet’. Je kent jezelf beter dan dat. Het zat er aan te komen. Je bobijn was al lang af, je geduld op.
            Je had het gehad hé. Geef maar toe. Het kon niet anders meer; het was het logische einde van een lang verhaal. Ja, zij zag dat anders; dat zie je nu wel, maar het is te laat.
            En wat nu? Het sprookje is ten einde, zelfs al was het geen sprookje, maar het stomme, eeuwige verhaal: verliefdheid wordt routine, en op het einde was er alleen maar ergernis. Wat dacht je dan, dat zij een prinses was? Jij, een prins? Met jouw gezicht? Man, rekende je gewoon toch gelukkig met wat je had. Had je zegeningen geteld.
            Maar neen, mesje gepakt in een vlaag van woede. Moordje gepleegd. Ja, proef die woorden maar. Straks zullen ze vragen waarvoor je binnen zit en je zult mompelen dat je onschuldig bent. Dat je het niet gedaan hebt. En ze zullen schateren. ‘Iedereen zit hier verkeerdelijk’, zullen ze grijnzen.
En over hun lach zal een donkere schaduw hangen.

Tja, dat was het dan. Vanaf nu wordt het: een leven op de vlucht. Trek je hoofd in, duik onder, en probeer te overleven. Beter wordt het niet meer. Nooit meer huisje-tuintje-keukentje. Nooit meer glaasje wijn aan het fornuis, roeren in de potten. Een snelle burger voor je verder gaat, dat kun je krijgen. Een omelet met tomaat. En als je echt adem kunt halen? Kersentaart als toetje. En dan weer verder.
            Vergeet vooral niet cash af te halen op een plek die ze niet zien komen – ontregel ze. Of is je rekening ondertussen leeggeplunderd? Dan ziet het er belabberd uit.

Van aan het plafond zie je een draadje naar beneden bengelen. Je volgt het met je ogen, ze ontmoeten de zijne: jij twee, hij acht. Knal in het midden van de spiegel hangt hij.

Ja, dat zijn sirenes die je in de verte hoort.

Ik schreef teveel vanuit mijn hoofd (die dingen haalden het portfolio niet), en zocht uitwegen. De eerste zin van een liedje van Eels triggerde eerst een dagboektekst zonder waarde. Toen ik dezelfde zin in aanspreekvorm vastpakte, was ik plots eindelijk iemand anders en dook ik in het hoofd van een kersvers moordenaar. Het voelde als een kleine doorbraak.

(copyright Matthieu Van Steenkiste)

Omdat een mens niet genoeg te doen kan hebben, schreef ik me in september in voor een cursus ‘Literair Schrijven’ aan de Academie van Borgerhout. Nu het eerste jaar zijn einde nadert, moest ik een portfolio opstellen met enkele teksten die ik dit jaar schreef. Met enige verlegenheid smijt ik ze ook op deze blog. Dit is de eerste tekst.

De hard gewerkt-kaart

De maan verlichtte de woonkamer. Moeiteloos vond ik de weg naar het barmeubel, toen ik in mijn ooghoek een schim door het grote open raam zag glippen. 
            ‘Ik bén hier wel hé!’, riep ik de indringer verontwaardigd toe.
‘Mijnheer’, sprak hij ijzig. ‘Ik ben hier dan ook om u te overvallen.’
            Vermoeid gooide ik de handen in de lucht. Wat moest, dat moest.

Het was niet persoonlijk, verzekerde hij me. Ik moest dat begrijpen. Hij was gewoon een simpele, eerlijke boef, wiens vak het nu eenmaal was om ’s nachts mensen te beroven. ‘En als ik echt een slagje zie, tja, dan doe ik ook wel eens overvallen. Zoals nu.’

Waarom ik? Waarom nu? Hij haalde de schouders op: ‘het kwam zo uit.’ Dat ik vandaag ettelijke duizenden rente had ontvangen? Hij beaamde: een vergissing van de bank in mijn nadeel. Vanuit zijn kant bekeken: een gelukkig toeval.
            ‘Het zit u niet mee’, knikte hij begripvol. Maar of hij toch beleefd mag informeren of ik eventueel bereid ben de overdracht te starten? Hoe rapper deze uitzonderlijke meevaller is afgehandeld, des te sneller hij ook nog wat van het gewone dievenwerk gedaan kreeg deze nacht. De managementcursus die hij overdag pleegt te volgen noemt dat volgens hem ‘winstmaximalisatie’. En dat ik, als notoir notabele en eminent econoom, dat ongetwijfeld wel zou begrijpen.

Een zachte grom ontsnapte me. Ik wil me daarvoor  excuseren. Het is niet wat u van een man van mijn stand verwacht, maar ik had het zo langzamerhand wel gehad met dat heertje. Mij overvallen? Dat trek ik nog wel. Mij de les lezen over mijn eigen vak? Mijnheer – mevrouw – ik heb mijn grenzen
            Woedend stond ik recht. ‘En waarom zou ik dat begrijpen? Ik kan me verzetten, weet u! Ik hoef u helemaal niets te geven van wat u ‘die meevaller van deze namiddag’ noemt. Daar heb ik, ik wil dat benadrukken, hard voor gewerkt! En misschien moet u dat dan ook maar wat meer doen, als u mijn zogenaamde ‘gelukjes’ met een afgunstig oog bekijkt!’

‘Oh’, zei hij. ‘De hard-gewerkt-kaart. Interessant.’ Ik weet niet waar hij het vandaan haalde, maar in een notaboekje krabbelde hij snel iets neer. ‘Kunt u daar iets meer over vertellen?’
            ‘Heeft het misschien iets te maken met uw jeugd?’ Daar kwam het allemaal toch vaak op neer. Dat wist hij uit de cursus psychologie die hij op zaterdag online volgde, liet hij tussen neus en lippen weten – daar kon hij later misschien iets mee doen. ‘Hoe was uw relatie met uw moeder?’
            ‘LAAT MIJN MOEDER HIERBUITEN!’, gilde ik buiten zinnen – we leefden al jaren in onmin, zij moest er nu ook niet worden bijgehaald, het was al erg genoeg.

Ik schaam me, maar ik moet het u bekennen: ik was mijn goede manieren verloren. Mijn stem had het beleefde spectrum verlaten. Wie was deze man, die zich zomaar toegang tot mijn woonst had verschaft, en dat nog normaal leek te vinden? En waarom ging ik daarin mee? Ik had de politie kunnen bellen, het pistool trekken dat ik in de schuif van het barmeubel bewaarde. Een antiek ding, toegegeven, maar een zeker afschrikwekkend effect kon niet worden ontkend.
            En toch deed ik het niet. Verontwaardigd bleef ik daar staan, en met trillende handen schonk ik mezelf een whisky uit.
‘Misschien moet u mij ook iets aanbieden?’
            ‘excuseer?’
            ‘Dat doen heren van stand toch als ze een overeenkomst sluiten? Een toast ter bezegeling?’

‘Heren van stand!’ ‘Een toast ter bezegeling!’ Ik wist niet waar ik het had! Nu vond die smiecht zich ook nog eens heel wat! ‘Een overeenkomst? Ik wil helemaal geen overeenkomst. U dwingt mij!’
            Ja, dat gaf hij toe. Er was misschien wat dwang mee gemoeid, maar ach, dat mocht ik mezelf niet aanwrijven. Hij zou ook wat zenuwachtig worden van het pistool – een modern en gevaarlijk doch elegant exemplaar dan nog – dat op mij gericht was. Maar we moesten de machtsverhoudingen erkennen: hij was toch ietwat aan de winnende hand. En hij begon wat ongeduldig te worden. ‘Kunnen we dan nu? Die overdracht?”’

Ik besloot het over een andere boeg te gooien, en vroeg hem – op de man af! – waarom hij dacht mijn bezit te mogen aanslaan. Onbewogen antwoordde hij dat hij daar recht op had. ‘Het is allemaal een kwestie van perspectief, weet u. Is dit allemaal wel van u? Of heeft u zich dit onrechtmatig toegeëigend?’
            Een provocatie waar ik niet op mocht ingaan. ‘Verdient u hier eigenlijk veel mee’, vroeg ik hem, de rollen omdraaiend. Hij antwoordde dat het nu ook niet om over naar huis te schrijven was. ‘Maar je moet iets, natuurlijk, als je drie monden te voeden hebt. En ik weet het wel. U zult nu op mogelijkheden op de arbeidsmarkt wijzen, maar laten we eerlijk zijn’ – en verdomd nog aan toe, hij knipoogde – ‘Dit is opwindender.’

Daar ging het dus om. Mijnheer was een zogenaamde ‘thrill seeker’. Ik had er over gelezen in mijn kwaliteitskrant. Ze staan uren in de rij voor een roetsjbaan. Ze nemen drugs. En ze dringen de woningen binnen van respectabele burgers. Dat ik daar, op mijn leeftijd, nog mee te maken moet hebben. Minachtend keek ik hem aan.
                  Alsof hij mijn blik niet had gezien gleed hij met zijn vinger over de boekenplanken. Goedkeurend knikte hij bij een bibliofiele uitgave van ‘Ulysses’. ‘Mooi. Heeft u het gelezen? Geweldig hoe Joyce de Engelse taal daarin keer na keer opnieuw uitvindt. Ik blijf er maar dingen in ontdekken.’

Ik stond verbouwereerd, maar hij meldde doodgemoedereerd dat hij een grote passie voor boeken had, en daarom per post een literatuurstudie volgde. Het schaamrood stond me op de wangen, maar ik kon niet anders. Ik moest toegeven dat ik het ding enkel uit bezitterstrots had staan.
            ‘Dat is ok hoor’, klopte hij me op de schouder. ‘Ik ken genoeg mensen die  ‘Zwerm’ ook maar voor die mooie dikke rug met die blinkende letters in de kast hebben staan.’

Zonder dat ik het merkte was hij naast me gaan staan. Ik onderdrukte een rilling.
            ‘Meneer, wilt u dit laten?’
‘Wat? Deze toenadering? Maar dat is wat dit verhaal van ons vraagt!’
            ‘Hoezo?’
Hij zuchtte eens diep, en legde me uit dat er maar een paar verhalen zijn, in eindeloze variaties. En dat wij daar één van beleefden.
            ‘Hier zijn we dan’, besloot hij. ‘Het is niet anders.’

Uitgeput zette ik me aan tafel, en bood hem een stoel aan.
            ‘Laat ons praten.’

‘Schrijf een scene op basis van een beeld’. Een ietwat idiote gedachte schoot me door het hoofd toen ik effectief beneden iets bijtankte en in het raam beweging dacht te zien. De inbreker bleek een boekenwurm die een bijna politiek punt maakt.

(copyright Matthieu Van Steenkiste)

 

Een half jaar geleden trok ik naar Peru om Machu Pichu te zien voor ik veertig zou zijn. Op vraag van De Zondag schreef ik dit verslag. 

Machu Picchu. Hoge bergtoppen. Nazaten van de Inca’s in felgekleurde poncho’s en vrouwen met bolhoeden. Wie de clichés over Peru kent, heeft bijna het gevoel dat hij er al eens is geweest. Toch is dat maar de helft van het verhaal. Het Zuid-Amerikaanse land is er één van felle contrasten.

Een krijsende baby. De waarschuwingen aan pedofielen op de luchthaven van Lima. Het terreurverleden van Peru met zijn aanslagen door Het Lichtend Pad. De onrust en drukte van een vreemd land. Buiten horen we knallen en opgewonden geschreeuw en alles versmelt zich met alles. Dit heet een fikse voedselvergiftiging, en we liggen ijlend in een aftands hostelkamertje in het kleine stadje Ica. Uiteindelijk zal het niet meer dan vuurwerk en een stevig verkiezingsfeest blijken, maar héél even overwegen we om schuil te zoeken onder ons bed.

Ook dat is Peru dus: want het land mag dan een gastronomisch paradijs zijn, dat grossiert in lekkernijen als gebraden hamster (jawel; een topper) of alpacabiefstuk, voor het streetfood waar je bijna over struikelt let je toch beter iets meer op. We hebben ons die paar empanada’s in Lima nog lang beklaagd. Maar ceviche, een typisch Peruviaanse bereiding waarin vis koud gegaard wordt in een mengeling van citroensap en wijn, is dan weer wél heerlijk fris als lunch, wanneer de zon in het zenit staat.

Mummies

Dat ons verhaal in het minuscule Ica start , en niet in de hoofdstad, is overigens geen toeval. Hoewel Lima zijn verleden in de Spaanse kolonisatie heeft, laat de grootstad geen beklijvende indruk na. Natuurlijk is het centrum rond de Plaza de Armas sfeervol, maar de kathedraal uit 1535 blijkt bij ons bezoek aan de stad hermetisch gesloten, en veel andere bezienswaardigheden zijn er niet. Als toerist kun je dus net zo goed meteen verder het binnenland induiken. En dan is Cusco natuurlijk de evidente bestemming.

Toch kan het geen kwaad om even een ommetje langs Nazca te maken om de eeuwenoude, mysterieuze geogliefen, waarvan sommige zelfs meer dan honderd meter lang zijn, te bekijken. Nog steeds weten we weinig over de beweegredenen van de toenmalige bevolking om in de ruwe woestijnbodem metersgrote dierentekeningen achter te laten. Geen wonder dus dat je eigenlijk maar op één manier een overzicht kunt krijgen: door het luchtruim te kiezen. Op het vliegveld van het stadje zijn er meerdere bedrijfjes die een vlucht van een half uur over het gebied aanbieden.

Al is bewonderen zelfs dan niet evident. “De Walvis” en “De Astronaut”, de eerste twee tekeningen, ontgaan ons, want het duurt even voor je doorkrijgt hoe je precies moet kijken om ze te onderscheiden. Eenmaal je ogen zijn aangepast bewonder je wel degelijk “De Kolibri” en de andere iconische afbeeldingen.

Indrukwekkender echter, is het mausoleum van het Nazcavolk dat u in het dorpje Chauchilla vindt: oog in oog staan met de levensechte overblijfselen van mensen die meer dan duizend jaar geleden leefden, blijft een beetje ongemakkelijk, maar net zo fascinerend. Let overigens op dat u de gebaande paden blijft volgen, want aan de botten die uit de grond steken te zien, stikt het daarbuiten van de nog niet opgegraven mummies.

Te voet naar Machu Picchu

De klassieke Europese toerist krijgt pas in Cusco het gevoel een stad van betekenis te zien. De voormalige Incahoofdstad zelf strekt zich met zijn kleine straatjes en trappen uit over de bergflanken die de kern omringen; vooral ’s nachts levert dat dankzij de straatverlichting een erg pittoresk zicht op. Er is een boeiend museum gewijd aan Machu Picchu en verschillende Zuid-Europees aandoende kerken, maar vooral is er het indrukwekkend kathedralencomplex, waar in het overdadig rococogehalte van de vele altaren en kapellen de onmetelijke rijkdom van het koloniale Spanje tot uitdrukking komt.

Gelegen op 3400 meter is Cusco meteen ook de perfecte uitvalsbasis voor een bezoek aan de ruïnes van Machu Picchu, een goeie honderd kilometer verder. Rond de Plaza de Armas (werkelijk elke stad hier heeft er één) struikel je over de toeristische bureaus die je allerhande tours en trips aanbieden. Maar wie zijn reizen ook maar een beetje serieus neemt, kan natuurlijk slechts op één manier naar die topper onder de nieuwe wereldwonderen: te voet.

De klassieke Inca Trail is daarbij de evidente optie, maar wij opteren voor de minder overbevolkte Salkantay Trek. Sinds de Peruviaanse overheden het aantal passanten op de trappen van de Inca Trail beperkt tot vijfhonderd per dag, zit deze alternatieve route aardig in de lift, en als we onze gids Eber mogen geloven is ie ook mooier en aangenamer.

We zijn geneigd hem te geloven. Met zijn tachtig kilometer en grote hoogteverschillen is de Salkantay Trek voor een ongeoefende rugzaktoerist als ons — overweight and out of date —  nét aan de goeie kant van pittig; uitdagend maar niet ondoenbaar. Al is het van belang om de juiste touroperator te kiezen: in Cusco zijn meer dan tweehonderd bureautjes actief, en niet elk daarvan staat voor een duurzame benadering van het bergtoerisme, laat staan dat ze hun dragers en gidsen een eerlijk loon betalen. Ook wij worden nog voor het begin van de tour alvast gewaarschuwd dat we onze begeleiders aan het einde van de trip gerust van wat extra drinkgeld mogen voorzien bovenop de pittige vijfhonderd euro die de vijfdaagse — bezoek aan Machu Picchu incluis — al kost.

Door het regenwoud

De Salkantay Trek is het echter meer dan waard. Al op de eerste dag ontvouwt zich een Andeslandschap dat zijn gelijke nauwelijks kent. Terwijl we van het dorpje Mollepata naar onze eerste stopplaats trekken, passeren we watervallen, kolkende riviertjes, en een rijkdom aan wilde bloemen en fruit. ’s Namiddags maken we een excursie naar de berg die achter de sfeervolle kampplaats oprijst. Anderhalf uur lang bijt de steile helling nijdig in onze kuiten, maar wanneer de laatste bocht is gerond, krijgen we een adembenemend zicht op het Humantaymeer; een bijna azuurblauw bergmeer waarachter een imposante gletsjer omineus kraakt. Het water blikkert ijskoud, maar toch trekken enkele durfals hun kleren uit. IJsberen in Peru; het is natuurkundig niet helemaal correct, maar het dwingt respect af.

Wie in de bergen trekt, heeft afdoende voedsel nodig en dat weten ze bij touroperator Salkantay.org. De koks serveren dan ook royale porties koolhydraten, maar slagen er in om in deze primitieve omstandigheden toch heerlijke maaltijden te bereiden. Voldaan zoeken we onze tent op. Dit zou een koude nacht moeten worden — we zijn gewaarschuwd voor temperaturen tot onder het vriespunt op deze hoogte — maar El Niño is ons genadig: het wordt niet minder dan elf graden, wat in ons tentje perfect overleefbaar is.

Dag twee is er een om de schapen van de bokken te scheiden. Tien uur zullen we vandaag wandelen, en daarbij wordt meteen vier uur lang geklommen naar de Salkantaypas die ons op 4600 meter rond de gelijknamige bergtop (6264 meter hoog) brengt. Het vraagt meer dan een beetje doorbijten, maar wie ons kent weet dat opgeven niet ons woordenboek staat. En het klinkt misschien vreemd, maar het is de zes uur durende afdaling over hobbelige keien nadien die het meest op het lijf werkt. Onze kop er af als onze kniegewrichten niet twintig jaar ouder zijn geworden op één namiddag.

Het pad naar beneden brengt ons van de kale berglandschappen naar het nevelwoud dat de lagergelegen gebieden begroeit. Wanneer we eindelijk onze slaapplek voor de nacht bereiken, raken we zelfs de grenzen van het regenwoud: het is te zien aan de explosie van kleur die ons begroet, en die ene slang die plots ons pad kruist.

En daarmee zit het zwaarste er op. De volgende ochtend dalen we in een nevelige regenbui zes uur lang verder af door het regenwoud om ’s namiddags te verpozen in de warmwaterbronnen van Santa Teresa. Pas de volgende middag wordt er verder gewandeld; een gemakkelijke, bijna vlakke tocht langs de spoorlijn tot in Agua Calientes, het dorp aan de voet van Machu Picchu. Het harde werk is gebeurd; morgen mogen we opnieuw toerist zijn.

Een bos van selfiesticks

’s Anderendaags blijkt het oude zomerverblijf van de Incas de inspanning van de voorbije dagen waard te zijn. Weinig ruïnes maken meer indruk dan deze volledige stad, gedrapeerd als ze ligt over een bergkam, tussen twee pieken in. Zijn hier woorden voor? Nauwelijks. Wie vervolgens het panorama rondom in zich laat doordringen blijft helemaal sprakeloos achter; wat een decor, wat een plek!  We worden er bijna stil van, maar in deze toeristische omgeving is dat toch verloren moeite: het gekwetter omringt ons, we moeten waden door een woud van selfiesticks. Historische pracht krijg je niet te zien zonder vervelende neveneffecten.

Het maakt niet uit. Luttele tientallen meters verder is het al veel rustiger wanneer we richting de hoogtevreesopwekkende “Inca Bridge” wandelen. Sommige offers breng je met plezier, en Machu Picchu is best wat toeristisch gedrom waard. Of een voedselvergiftiging.

 

 

 

– Manu chao, 25 september 2001, Vorst
– Richard Ascroft, 31 oktober 2006, Hallen van Schaarbeek
– Belle & Sebastian, 7 april 2, AB
– Mum, 16 april 2004, AB
– Sigur Ros, juli 2006, Werchter
– Thee Silver Mt. Reveries, 13 oktober 2005, Vooruit
– The Flaming Lips, 4 juni 2006, Vooruit
– Arcade Fire, 15 mei 2005, Cirque Royale
– Mercury Rev, 24 november 2008, AB
– 65DaysOfStatic, juli 2007, Dour
– Mogwai, 6 oktober 1997, STUK
– Archive, 15 juli 2006, Dour
– The Knife, 13 oktober 2006, Gebaude 9
– !!!, 12 april 2007, AB
– The Scene, 15 juni 2007, AB

Eten!

Omdat hier anders niets gebeurt, en ik dat ook wel eens beloofd heb in mijn beginselverklaring: nog eens een recept. Van eigen vinding, dan nog, en naar het schijnt een succes.

pompoensoep met gegrilde paprika:

nodig:

  1. 600 g pompoen in stukjes
  2. 2 gegrilde paprika’s in stukjes
  3. 1 geschilde aardappel in stukjes
  4. gemalen komijn (ik stamp de zaadjes zelf fijn in een vijzel, geeft meer smaak dan het poeder dat je koopt, vind ik)
  5. geraspte verse gember
  6. fijngesneden look
  7. gesnipperde ui
  8. kippenbouillon

zo doe je het:

stoof de ui in een grote pot aan in wat olie. doe er als die wat glazig worden de gember, look en komijn bij. laat even meebakken al roerend.
doe de paprika, aardappel en pompoen er bij, en bak éven mee.
blus met een liter kippenbouillon en laat koken tot de groenten zacht zijn.
mix
serveer – als het wat afgekoeld is – met wat verse koriander.

smakelijk!

Het mag niet. En toch. Ik ben een fanboy.

Of neen. Geen fanboy. Zo’n platte muziekfan, die voor een hitje naar een concert gaat.

Neen. Dat is ook niet waar. Ik ging voor veel hitjes. Maar voor eentje in het bijzonder.

En dat hebben ze verknald. En het heeft mijn avond vergald.

Kijk, Fountains Of Wayne heeft veel leuke liedjes. Héél veel nummers waar ik blij van word, en die ik op een concert graag mee wil brommen of schreeuwen. En als ze daar eens een andere versie van willen maken? Ze doen maar. Maar van de onzin de “Stacy’s Mom” is? Daar moeten ze afblijven. Ze hebben namelijk geen nummer dat beter is. Dat meer het idee van melodische euforie samenvat: dat moment dat je de grootste hoop nonsense zou meebrullen, gewoon omdat het je blij maakt. Omdat de melodie zo juist zit, en de kracht van de gitaren het haar in je nekvel met een houdgreep hun wil opleggen.

En dan spelen ze dat dus in een — ik wik mijn woorden — fucking pianoversie. Wel, godver, IK HEB DAT NIET GEVRAAGD. Ik wilde een feestje. Geen in-joke tussen de bandleden om een publiek dat uit voetbalhooligans lijkt te bestaan te pesten.

Dus ja, ik ben slechtgezind. Sorry daarvoor. En laat me dus maar even.

Het gaat máár om Fountains Of Wayne. Ok? Als ik morgen iets lelijk schrijf over uw Relevant Artistiekerig Groepje. Dàn mag u iets terugzeggen. Nu niet.

Nu. Even. Niet.

het komt niet goed tussen mij en artiesten in dvd’s. neen, echt niet. Ik ben op dit moment 1991; the year that punk broke aan het zien. Dat moet zo, want ik ben research aan het doen voor een lijvig dossier over grunge. Maar god, wat een lùl is die thurston moore: dat eeuwige denigrerende toontje over alles wat buiten zijn wereld valt, die eeuwige zonnebril, die krampachtige poging om cool te zijn. en je eigenlijk gewoon te laten kennen als zelfingenomen eikel eerste klas.

het doet me denken aan het moment dat thom yorke voor mij van zijn voetstuk viel. Doe geen moeite, je wint niets met dit non-raadsel; het gaat inderdaad om meeting people is easy. ja, het zal wel dat het nogal mindnumbing is om dag-in-dag-uit over dezelfde plaat dezelfde vragen te moeten beantwoorden — ik heb ooit eens vier interviews moeten geven over de vijfde verjaardag van goddeau en dat voelde al verschrikkelijk routineus aan — maar alstublieft, hou uzelf eens bij elkaar. tel uw zegeningen en stop met janken.

ge zijt artiest; ge moogt elke avond een uur, anderhalf uur op een podium doen wat ge wilt. voor de rest van de dag moet ge gewoon zorgen dat ge een paar afspraken nakomt; een gesprek met een paar journalisten, bijvoorbeeld, omdat die zorgen dat uw plaat misschien wat verkoopt en ge daarom uw boterham verdient. Wel. WAT is het fucking PROBLEEM?

neen, het zal wel aan het feit liggen dat ik gewoonlijk aan de andere kant van de microfoon sta, maar ik moet het niet hebben; dat verveelde, neerbuigende gedrag. Wie muzikant wil zijn, wil daar van kunnen leven en wil dus een job. Elke job komt met zijn vervelende kanten. deal with it, en rammel niet met een ander zijn kloten. smug bastards.

Zoveel getuigenissen gelezen, zoveel meningen; wat valt er nog te schrijven na een dag waarin alles al driemaal lijkt gezegd? Dat ik me verward voel, bijvoorbeeld. Dat ik nog steeds het gevoel heb niet helemaal te weten waaruit ik ben ontsnapt. Hoe meer beelden ik zie van the day after, hoe minder ik begrijp dat we uit die ravage die ze ooit Chateau noemden zijn ontsnapt.

Om te beginnen begrijp ik nog altijd niet wat er gebeurd is. Ik heb die storm niet gezien. Eerst was ik in een tent en leek alles ok, op wat wiebelende lichten en een vallend scherm na. Maar zelfs dat lachten we weg. Smith Westerns had een goed eerste nummer gespeeld, L. had me fronsend aangekeken of ik gek was, zoals ik stond te dansen, en dat scherm, ach, als de band er zelf mee omkan met het mopje “it’s all part of the show”, dan valt het toch mee, niet? Maar ergens zijn we toch maar beginnen lopen naar de ingang.

Het volgende wat ik weet zijn twee beelden: een scheurend tentzeil linksboven, naast het podium, en één van de vier grote palen die ik zie kantelen. In slowmotion. Recht op L. af. Nog gedacht: ik moet haar wegtrekken. Heb dat nog geprobeerd. Geen idee of ik effectief iets heb gedaan, maar het volgende moment lagen we allebei op de grond, in een ongenadige open lucht. Zij: hevig bloedend aan het achterhoofd, maar bij volle bewustzijn, en rechtkrabbelend. Genoeg om me gerust te stellen: dit komt wel goed, moet hoogstens genaaid worden.

Daarna was er alleen maar de chaos van het schuilen onder de tribune net buiten de Chateau. De rugzak boven het hoofd als bescherming tegen de hagelbollen. Kleren die een minuut later doorweekt zijn. Het eindeloze-wachten-dat-blijkbaar-maar-een-kwartier-was tot ons eindelijk wat rust wordt gegund, een oog van de storm om onszelf bij elkaar te rapen. Ergens is dat er gekomen. We zochten in ons geheugen waar die EHBO-tent nu ook weer was. Dichtbij, gelukkig.

Wat volgde waren een paar voorbeelden van medemenselijkheid die er mogen zijn. In de Wit-Gele Kruistent geholpen door een student verpleegkunde die ook maar gewoon Pukkelganger was. Even later in Hasselt, waar onze tent-in-de-tuin ook weggewaaid was, hartverwarmend opgevangen door vrienden. Na de beste zorgen vanochtend kunnen vertrekken.

Thuisgekomen en niets anders gedaan dan met een hoofd vol ongeloof blijven nakaarten. Fora lezen, nieuws zien, praten. En een doktersbezoek, natuurlijk; safetycheck. In één adem een nieuwe bril gaan kiezen, mijn oude is ergens tussen het puin van de Chateau gebleven. En ergens begon het pas vandaag te dagen hoe extreem de situatie is geweest waarin we zaten. Tien centimeter naar rechts en er was geen L. meer. En ik vraag me nog altijd af hoe het komt, dat niets van die rondvliegende lichtenkringen of die spiegelbollen ons heeft geraakt.

We zijn er nog. Dat is naar het schijnt het belangrijkste. Correctie: dat is het belangrijkste. Maar ik ben wel plots bang van alles. Onze tent opzetten in de tuin, om te drogen, deed me vanmiddag al denken aan knappende zeilen en in het rond vliegende stokken. Toen ik daarnet van de supermarkt terugfietste en een automobilist een vreemd manoeuvre deed, stond mijn hart stil. Dat gaat even moeten slijten. Gisterennacht heb ik honderd keer dat tentzeil zien scheuren, die paal zien kantelen. Het was geen nachtmerrie, gewoon een droge beeldencarrousel. Ik ben niet zo zeker dat ik het vannacht ook zo zal kunnen bekijken.

De foto is genomen door Jan Van den Bulck van Digg.be. Check ook zijn post-ravagereeks. Op één of andere manier vind ik ze erg uplifiting.

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag