Almere Natuur

Dé blog over de Almeerse natuur


1 reactie

Exotische blinde vlek

ruddy duck

rosse stekelstaart

Een wijze raad: zeg nooit nooit, zeker niet in de ecologie. En met evenveel recht kan je zeggen: zeg nooit altijd. Maar al te vaak wordt een ooit geponeerde stelling voor altijd als waarheid gehouden. Zo ontstond een paar decennia terug de vrees dat de met uitsterven bedreigde witkopeend in Spanje de nekslag zou krijgen van zijn door mensenhand in Europa verzeilde Amerikaanse familiegenoot de rosse stekelstaart. Een riedel die nog steeds wordt gedebiteerd.

Wat was er een paar decennia geleden aan de hand? Uit tellingen bleek dat de Europese populatie, inmiddels geheel beperkt tot Spanje gedecimeerd was tot enkele tientallen paartjes. Na de effecten van jacht en habitatverlies zou hybridisatie met de rosse stekelstaart de populatie van zuivere witkopeenden bedreigen. Er werd zelfs beweerd dat vrouwtjes witkoppen een voorkeur hebben voor mannetjes rosse stekelstaarten. Gelukkig werden niet alle kaarten slechts ingezet op het afschieten van de rosse stekelstaarten maar vooral op verbetering van het habitat, inclusief afschaffing van de witkopeendenjacht. Gelukkig, want maar al te vaak wordt een (vermeend) exotenprobleem alleen aangepakt door de exoot te bestrijden.

th

witkopeend

Inmiddels zwemmen er weer circa 2000 witkopeenden in Spanje. En die hybridisatie? Op www.observation.org wordt de kruising niet eens genoemd. Op ebird.org staan een paar (onduidelijke) foto’s met in totaal 10 waarnemingen. Muňos-Fuentes en collegae onderzochten een flinke honderd vogels uit Spanje (63 witkoppen, 31 rosse stekels en 29 vermeende kruisingen in 1993-2003) en concludeerden dat de op het verenkleed gedetermineerde kruisingen inderdaad afstammelingen waren van de twee eendensoorten. Maar ook dat in de witkopeenden-populatie nauwelijks ‘vervuild’ was met rosse stekelstaartbloed. Kruisingen – die in principe wel vruchtbaar zijn – waren dus nauwelijks betrokken bij de voortplanting van de witkopeenden. Kennelijk loopt het niet zo een vaart met die genetische vermenging.

Buiten de wetenschappelijke literatuur wordt echter vooral de stelling uit het verleden keer op keer herhaald. En dit leidt nog steeds tot de roep om afschot. Inclusief de daad bij dat woord. In het kennisdocument van de NVWA staat het onomfloerst: “De rosse stekelstaart kan kruisen met de witkopeend waardoor bij aanwezigheid van beide soorten in hetzelfde gebied, de witkopeend kan verdwijnen. Hierdoor is de rosse stekelstaart de grootste bedreiging van het voortbestaan van de witkopeend.” Niets over het spectaculaire herstel van de populatie en niets over het onderzoek naar de afwezigheid van genetische vervuiling.

Zou het inmiddels anders kunnen liggen? Het is immers denkbaar dat hybridisatie sneller optreedt als de “bruidsmarkt” krap is. Bij een kleine populatie is de kans op een ontmoeting met een soortgenoot klein en de verleiding kan dat groot zijn om voor een “second-best” oplossing te gaan. Dit komt bijvoorbeeld in waterwildcollecties veelvuldig voor. Het lijkt me dus ook denkbaar dat de toegenomen soortspecifieke partnerkeus voor de witkopeend het hybridisatiespook heeft verdreven.

Men mag hopen dat bij ingrijpende maatregelen als het doden van dieren de feiten voortdurend tegen het licht worden gehouden. Helaas blijkt dus het tegendeel. Wat decennia terug voor de waarheid gehouden werd, kan door nieuwe omstandigheden inmiddels gedateerd zijn. Een herhaling van het onderzoek van Muňos-Fuentes e.a. en een goede populatieanalyse van zowel witkopeenden als rosse stekelstaarten (inclusief de rol van afschot van de laatste) is wenselijk. Maar exoten leiden automatisch tot blinde vlekken. En dat terwijl ecologie dynamisch is. Zeg dus nooit “altijd”.

Ton Eggenhuizen


Een reactie plaatsen

Bedenk zelf een woord!

P1020277Iedere bioloog is er mee opgeleid, de vegetatieschaal van Tansley. Ontworpen door de Engelse botanicus Arthur George Tansley (1871-1955). Geboren in London en later woonachtig in Grantchester. Ik denk me zo in dat hij over de Grantchester Meadows liep met veldleeuweriken hoog in de lucht en zoemende bijen rond zijn hoofd. Kijkend naar de bloemenpracht de onderlinge verbanden onderzoekend. Hoog op de kalkhelling andere planten dan in het dal, aan de bosrand wéér een andere vegetatie.

Vegetaties bestaan uit plantensoorten die niet zomaar toevallig bij elkaar staan. Ze hebben een relatie met de groeiplaats (bodem, klimaat) en onderling met elkaar. En die planten hebben weer relaties met de daar rondvliegende bijen. Zelfs die veldleeuwerik  broedt niet zomaar in iedere weide. Al die planten en dieren leven met, en beïnvloeden elkaar. Zo moet Tansley ook op de gedachte gekomen zijn dat al dat leven een samenhangend systeem vormt. Hiervoor muntte hij de term ecosysteem.

Het begrip ecosysteem wordt omschreven als een natuurlijk systeem; een systeem bestaande uit biologische interacties tussen alle planten en dieren in een gebied. En dat niet alleen, ook de wisselwerking tussen deze soorten en hun omgeving is van belang. De ecologie bestudeert al die interacties. Voor een ecoloog is één woord in die definitie heel belangrijk: ‘biologische’. Vandaar dat een ecoloog als door een bij gestoken reageert als ‘ecosysteem’ gebruikt wordt in een andere context dan de oorspronkelijk door Tansley bedoelde. Zo wordt het steeds meer gemeengoed om de term te gebruiken in de bedrijfskunde. De eerste vermeldingen gingen nog over ‘bedrijfs-ecosysteem’ en met wat goede wil kan je er een eerbetoon aan de oorspronkelijke betekenis in zien. Maar al snel viel “bedrijfs” weg in het economisch taalgebruik.

Ook ik erger me aan economen, planologen en bedrijfskundigen die het woord ecosysteem gebruiken voor “een systeem van personen en bedrijven in een gebied en hun onderlinge wisselwerking en met de omgeving”. Het getuigt van een geestelijke luiheid om een woord uit een ander vakgebied te misbruiken in weerwil van de volledige en oorspronkelijke betekenis. Vandaar de titel van dit artikel.

Ton Eggenhuizen


1 reactie

Bedevaart

WhatsApp Image 2024-06-26 at 09.21.19Met 500 inwoners is Abbotsbury aan de zuidkust van Dorset een klein dorpje, maar er is zeker wat te beleven voor toeristen. Het is onderdeel van de Jurassic Coast met veel fossielvindplaatsen, ligt aan de kilometers lange Chesil Beach, heeft de overblijfselen van een middeleeuwse abdij en er zijn fraaie subtropische tuinen te bezoeken. Maar voor mij was het doel van de reis toch de ‘Swannery’. Voor een “rechtgepluimde Zwanista” als ikzelf is het een bedevaartsoord van formaat! Ik las over deze bijzondere zwanenplek bij de studie voor mijn eigen zwanenboek.  Zowel de historie als de biologie was aanleiding genoeg op de Swannery zelf te bezoeken.

Achter de voornoemde Chesil Beach ligt de Fleet, een 13 kilometer lange lagune. Hierin zorgen bijzondere omstandigheden ervoor dat van oudsher grote aantallen knobbelzwanen tot broeden komen. Zelfs zoveel dat je kan spreken van een unieke kolonie. En dat is voor zo een territoriale soort als de knobbelzwaan heel bijzonder, maar daarover later meer.

Vaak wordt gezegd dat van oudsher alle knobbelzwanen in Engeland aan ‘de kroon’ toebehoren. De koning kon dat eigendom echter ook aan anderen schenken. In de 13e eeuw, maar mogelijk nog eerder, kregen de Benedictijner monniken van het nabijgelegen abdij het recht om de zwanen van de Fleet-lagune te beheren. Dit betekende dat alle zwanen in het gebied hun eigendom waren, ze mochten de vogels merken en ze mochten oogsten. Maar voor niets gaat alleen de zon op; een deel van de oogst ging naar de koning die er zijn feestmalen mee opsierde. Inmiddels zijn alleen de zwanen van een deel van de Thames van Koning Charles de III. Die oude rechten zoals bij Abbotsbury bleven echter wel in stand.

Het klooster werd in de 16e eeuw verwoest (voor meer informatie: de zoektermen reformatie, Hendrik de VIII en Cromwell will do the trick) en het zwanenrecht ging over naar de lokale landadel. Deze heeft tot op de dag het recht om deze vrij levende en dus wilde populatie te beheren. De consumptie van zwanen is nu wel van maag naar ogen gegaan. Niet langer worden vogels gegeten, de oogst zit nu in het uitbaten van een toeristische trekpleister. In de wijde omgeving wordt door de AA (de Engelse ANWB) geadverteerd: “visit the baby swans!”

Omdat ik in mijn zwanenboek over deze plek schrijf, wilde ik graag mijn boek aanbieden aan de beheerder van de Swannery. Met wat mail-verkeer was dat eenvoudig geregeld en konden we ons laven aan de gastvrijheid en vriendelijkheid die zo typisch is voor de Engelsen. En die unieke kolonie? De zwanenbeheerder weet ons te vertellen hoe dat zit. Inderdaad, knobbelzwanen zijn zeer territoriaal. Van deze statige vogel wordt wel gezegd: both a lover and a fighter.  Liefdevol voor partner en nakomelingen, een tiran voor de buurfamilie. Maar als de omstandigheden goed zijn, worden de vogels inschikkelijker. En die omstandigheden zijn een combinatie van een overdaad aan voedsel voor volgroeide vogels (in Abbotsbury is dat zeegras in de lagune) en beperkte broedmogelijkheden (een veilig gebied met opgroeimogelijkheden voor de jonge vogels).

Maar ook dat komt met een prijs. Als de beheerder niet wat bescherming biedt aan de jonge vogels zullen er niet veel “baby swans” overleven. Een flink deel van de families wordt apart gehouden in kleine afgesloten ruimten totdat de jongen groot genoeg zijn. Zoals die monniken dit in de Middeleeuwen hebben uitgevonden. En dat alles in detail te zien voor de dagjesmens.


Een reactie plaatsen

Verhaalevolutie en de Korenwolf

Evolutie is, zo leerde ons Charles Darwin, overleving van de best aangepaste. Aangepast (‘best fitted’) aan de omgeving. Dat geldt voor dieren, planten, virussen en zelfs – in overdrachtelijke zin – voor verhalen. Zo hoorde ik onlangs op Radio 2 een nieuwe wending aan een oud en toen al onjuist verhaal, het verhaal van de Limburgse korenwolf.

Dat verhaal is indertijd breed in de media uitgemeten: de korenwolf zou de realisatie van een bedrijventerrein bij Heerlen hebben tegengehouden. Het paste op dat moment goed in het beeld dat de natuurwetgeving toch echt wel was doorgeschoten. Het was – om het zo te zeggen – goed aangepast aan een omgeving van achterdocht. Maar inderdaad, het verhaal klopte niet. De crux was namelijk dat de gemeente haar huiswerk niet had gedaan. Bij het ruimtelijk besluit om het bedrijventerrein mogelijk te maken had men verzuimd het wettelijk verplichte onderzoek te doen naar het vóórkomen van de Korenwolf.

Als ik tegen mensen vertel dat dat verplichte onderzoek uiteindelijk wél is gedaan, dat er vervolgens een bedrijventerrein én een nieuw ingericht korenwolfleefgebied zijn aangelegd, dan zie ik ongeloof in de ogen van mijn toehoorders. “O, dat wist ik niet!”. Maar ja, dat is nuance. En nuance ziet men niet als het uitzicht wordt belemmerd door een stevig portie achterdocht. Zo een genuanceerd verhaal “overleeft” niet.

In een tijd waarin natuurwetgeving nog meer op de tocht staat, lijken de omstandigheden voor het korenwolfverhaal ook te veranderen. En die veranderingen leiden tot een nieuwe stap in de verhaalevolutie. Zo kwam het, dat ik tegen de radio vol ontzetting “NEEEE!!!” schreeuwde. Tot mijn verbijstering hoorde ik namelijk dat het nieuwe verhaal – het ‘narratief’ heet dat tegenwoordig – nu kennelijk is dat de natuurbescherming de korenwolf zélf heeft uitgezet om het bedrijventerrein tegen te houden. Op zich is dat uitzetten wel waar, maar dat gebeurde pas nádat de bouw van het bedrijventerrein alsnog was goedgekeurd. De populatie korenwolven bleek toch kwetsbaar en nieuwe introducties waren noodzakelijk. Ook weer die nuance.

Het is een onjuist idee over de evolutie dat het altijd leidt tot grotere complexiteit, alsof het een eenrichtingsweg is. Alsof evolutie doelgericht is. Dat kan ook voor het korenwolfverhaal gelden. Het is niet noodzakelijk dat er straks een nog heftiger verhaal in de media geslingerd wordt. Omstandigheden kunnen ook weer naar een oud stadium teruggaan, waarna de aanpassingen niet meer nodig zijn en als ballast overboord gegooid kan worden. Er is hoop.

Ton Eggenhuizen


2 reacties

Brood en tevreden zwanen

WhatsApp Image 2020-01-14 at 11.28.39Het is bij velen een bekend feit dat alle Britse knobbelzwanen aan de koning behoren. Een mooi verhaal, maar niet helemaal waar. De koning kan het eigendom inderdaad claimen maar in de praktijk gebeurt dit alleen op een stuk van de Thames rond Windsor. Daarvoor heeft de kroon een ‘King’s Swan Marker’ in dienst die vanzelfsprekend als de Britse zwanen-autoriteit wordt gezien.

Een ander veelgehoorde stelling is dat brood slecht is voor zwanen (en andere watervogels). Maar als iets vaak wordt verteld, is het natuurlijk niet meteen een waarheid. De Engelse “zwanenbescherming” (Swan Sanctuary) zet hier sinds jaar en dag vraagtekens bij, sterker nog, ze vinden het voeren met brood “dikke prima”. Ondanks deze aanmoediging is in Engeland nu een “ban the bread” campagne gestart om het voeren met brood te ontmoedigen. Wat heeft de Britse zwanen-autoriteit hierover te melden?

Net als de Swan Sanctuary stelt de King’s Swan Marker dat brood niet slecht is voor zwanen. Zwanen worden al honderden jaren gevoerd met brood zonder dat het een negatief effect heeft. Het is wellicht niet het beste voer in vergelijking met gras en waterplanten, maar het is wel een belangrijke energiebron als aanvulling op het natuurlijke dieet. Het helpt de vogels zeker ook strenge winters te overleven als de natuurlijke vegetatie te weinig voedingswaarde biedt.

Er is in feite geen goede reden om géén brood te voeren, mits het niet beschimmeld is. De Ban the Bread campagne heeft volgens de KSM inmiddels zelfs een negatief effect op de zwanen zoals ondervoede kuikens en volwassen vogels. En ondervoede vogels zijn vatbaarder voor ziekten zoals vogelgriep, los nog van dat ernstige ondervoeding tot de hongerdood leidt.

Zelf kan ik er nog aan toevoegen dat zwanen zelden op een ‘dieet van water en brood’ zitten. In de regel is ook grasland, waterplanten, algen en kroos beschikbaar, genoeg om voldoende variatie aan voedingsstoffen binnen te krijgen. Maar bedenk wel, dat het ook te veel  kan zijn. Komt er geen enkele watervogel aanzwemmen op de eerste broodkorsten, dan zijn ze in de regel al voorzien. Toch door strooien levert dan diverse risico’s op. Aantrekken van ongedierte als ratten, brood dat op de oever beschimmelt, vermesting van het water. Zoals altijd: te is nooit goed (behalve tevreden).

Ton Eggenhuizen


1 reactie

Kevers, olie en bijen

WhatsApp Image 2023-08-22 at 15.04.01Het mag inmiddels bekend zijn, de bij zit in zwaar weer. Of preciezer gezegd, veel bijensoorten zijn in aantal achteruit gegaan. En dan heb ik het niet over de honingbij (die in de regel gekoesterd wordt door de imker) maar om een groot deel van de 360 soorten wilde bijen. De helft daarvan heeft het moeilijk of staat op het punt van uitsterven, de andere helft lijkt het wel redelijk te doen. De gewone sachembij is daar één van.

Deze bij is vrij groot en breed en in het voorjaar in stadstuinen – mits groen – te vinden. De mannetjes vliegen opvallend driftig rond op zoek naar een vrouwtje, die rustig in bloemen stuifmeel en nectar verzamelt. Eenmaal een vrouwtje gevonden, paart hij met haar, waarna zij een nestgang in de grond graaft en daar, met wat mondvoorraad een eitje legt. De larve die uit het ei komt, vreet zich rond, verpopt en komt een jaar later uit, om de cirkel van het leven weer rond te maken.

Onlangs werd een bijzondere kever voor het eerst in Almere ontdekt die een bovenmatige aandacht voor sachembijen heeft: de Sitaris muralis. De – nog niet officiële – nederlandse naam is de sachembijenoliekever. Ze zijn namelijk voor hun voortbestaan volledig afhankelijk van de bij. De volwassen kevers zoeken nesten van de sachembij en leggen daarbij in de buurt hun eieren. Als de kevereitjes uitkomen, wachten de larven op een uitsluipende mannetjesbij en liften zo mee naar een bijenvrouwtje. Tijdens de bijen-daad heeft de keverlarve tijd zat om op de bijenvrouw te kruipen en vliegt met haar naar de gang waar zij haar nageslacht wil deponeren. De keverlarve doet zich te goed aan bijenlarve en zijn mondvoorraad van nectar en stuifmeel. De larve verpopt en brengt zo zijn cirkel van leven weer in gang. We noemen dit een waard (de bij) en zijn parasiet (kever).

Deze nieuwe keversoort, die vanwege klimaatverandering met een opmars in Nederland bezig is, moeten we daar blij mee zijn? Jazeker! De kever profiteert van een toename van sachembijen, maar zal de stand niet negatief beïnvloeden, want dan gooit die zijn eigen glazen in. In de regel geldt dat de stand van een prooidier of waard-dier, het aantal predators en parasieten bepaald en niet andersom. Veel sachembijenoliekevers zijn een bewijs van veel sachembijen.


Een reactie plaatsen

Een eigen parasiet (wie wil dat nou niet?)

WhatsApp Image 2023-08-03 at 10.52.37Of de bult zand met oeverzwaluwnesten op een Almeers bouwterrein inmiddels wel weg kan. Die vraag gaf weer een aanleiding om naar buiten te gaan. Mijn werk als stadsecoloog bestaat uit veel meer computerwerk dan menigeen denkt. Een veldscan is een welkome afleiding. Als je een paar van dat soort klusjes aan elkaar kan knopen is het ook nog eens efficiënt.

De betreffende zandbult was dit voorjaar deels afgegraven en oeverzwaluwen hebben daar wel een neus voor. In no-time was een kolonie gevestigd en kon ik op 30 juni 54 nesten tellen. Een week later bleek ook een (vermoedelijke) vos de kolonie te hebben gevonden. Diverse nesten waren uitgegraven en enkele resten van halfwas jongen lagen voor de wand. Andere zwaluwen waren echter nog druk doende met het voeren van hun jongen. Predatie komt in dit soort zandwandjes wel vaker voor, maar de zwaluwen zijn zo flexibel dat ze makkelijk een nieuw nest kunnen beginnen in een andere kolonie in de wijde omgeving. Juist die vervolglegsels zorgen voor een erg lang broedseizoen van de oeverzwaluwen.

Drie broedpogingen na elkaar is geen uitzondering. Vandaar dat begin augustus nog steeds vogels aan het broeden kunnen zijn. De idee dat het vogelbroedseizoen van 15 maart tot 15 juli loopt is een grove onderschatting van de werkelijkheid. De bovenstaande hulpvraag kreeg ik begin augustus, genoeg redenen voor een veldscan dus. Bij aankomst bleek de vos nog meer nestjes uitgegraven te hebben. Van de 54 nestgangen bleek een kwart gesloopt. Er vlogen geen zwaluwen meer rond, geen geluid van jongen uit de (intacte) nestgangen. Met de vlakke hand slaan op de wand leverde ook geen teken van leven op. Vermoedelijk heeft de aanwezigheid van de vos het vertrek van de vogels bespoedigd.

Geen teken van leven? Toch wel! In het begin van veel gangen zaten kleine zwarte springbeestjes. Aangezien een ecoloog altijd wel een bewaarpotje op zak heeft, konden snel wat springertjes verzameld worden. Vlooien! De oeverzwaluw heeft de twijfelachtige eer twee soort specifieke parasieten naar zich vernoemd te hebben. Bij ringonderzoek zag ik al vaker de oeverzwaluwteek die vooral jonge vogels belaagd. Met name in oudere oeverzwaluwwanden komt deze teek voor, maar ook door het koloniehoppen van vogels kan de teek van kolonie naar kolonie gebracht worden. De vlooien die ik verzamelde bleken oeverzwaluwvlooien te zijn. Nog niet eerder heb ik deze vlooien gezien, maar ik vermoed dat die pas zichtbaar zijn als de kolonie net door de vogels verlaten is. Reikhalzend uitkijkend naar een zwaluw die toch nog even in de kolonie landt, kruipen de parasieten naar de uitgang. Nee, die bult zand kan wel worden afgegraven.


Een reactie plaatsen

Slempende zwanen in de shit

graslandzwanenNagenoeg in één ruk uitgelezen: ‘uit de shit’ van Thomas Oudman. Alles wat je moet weten over hoe we het stikstofprobleem samen hebben veroorzaakt én hoe we er samen weer uit kunnen komen. Over hoe de verslaving aan kunstmest vanuit het adagium “nooit meer honger” de biodiversiteit uit het agrarisch gebied heeft verdreven, zowel onder- als bovengronds. En ook over de lapmiddeltjes die steevast end of pipe oplossingen zijn en dus nooit het probleem bij de bron aanpakken.

‘Uit de shit’ geeft helder weer hoe kunstmest heeft geleid tot eenvormige raaigrasweiden zónder bodemecologie en mét race-kakkende melkproducenten. Kunstmest verdreef de aloude manier van bemesting waarbij de lokale mineralenkringloop centraal stond. Een systeem met ruige stalmest waarbij de ecologie werd gebruikt met een gezonde bodem als resultaat. Waar een brede waaier aan planten graag groeit. Waar regenwormen zorgen voor verticaal transport van voedingsstoffen en met hun kruipgangen zorgen voor een lucht- en water doorlatende bodem. De kunstmest was de zwengel die het land omvormde van een ecosysteem naar een agrarische fabriek. Eenvormige input van elders, proces, eenvormige output naar elders.

De drastische afname van regenwormen was een ramp voor weidevogels (immers verzot op die pieren) zoals de grutto. Voeg dat bij de immer voortdurende ontwatering die de bodem dermate verdroogt dat een grutto zijn lange snavel er nog geen centimeter diep in krijgt. Predatoren als egel, marters, meeuwen, vossen, boerderijkatten en roofvogels ruimen de laatste restjes weidevogels op. Ook hier zien we vervolgens dat geprobeerd wordt te rommelen aan het einde van de pijp door dan maar de predatoren te bejagen (al dan niet legaal).

Die afname van bodemleven en waterpeilverlaging zorgt ervoor dat het water van een heftige bui niet makkelijk de bodem inzakt. Het natte gras is een lekkernij voor zwanen (en ganzen). Met een gewicht van 8-10 kilo en een pootoppervlakte van ca 140 vierkante centimeter (x 2) trappen de zwanen het gras plat. Daarnaast wordt vaak gesteld dat die betreding verslemping van de bodem oplevert. Dit proces waarbij de toplaag zo dicht wordt dat het water er eenvoudig op blijft staan wordt de zwanen aangesmeerd, maar de agrarische praktijk is daar dus in de eerste plaats debet aan. En ook hier weer dat eindje van de pijp. De zwanen moeten worden verjaagd, desnoods met het eufemistische “ondersteunend afschot”.

Oudman betoogd overtuigend dat de terugvorming van de landbouw-fabriek naar een praktijk met gebruik van het ecosysteem meer boeren, een betere opbrengst, meer natuur, minder vee en minder stikstof oplevert. Een systeem dat een zege is voor de stikstofgevoelige internationale natuurwaarden én – voeg ik er graag aan toe – goed voor vogels als de grutto en de knobbelzwaan.

Ton Eggenhuizen

 


1 reactie

Waterplanten, kreeften en evenwicht

unnamedWandelen langs het Weerwater – de centrale plas in Almere – brengt mij altijd aan het mijmeren. Hier kan ik mijn oog op de horizon leggen en mijn gedachten een vrije uitloop geven. Onder mijn blikveld, onder de waterspiegel, gebeurt van alles, maar het enige wat ik zie is de blauwe lucht die in het water weerkaatst.

Het Weerwater, ooit Zuiderzee en IJsselmeer, toen polder en na de winning van zand voor weg en stad weer water. Het is een jonge plas die de oude luister uit de tijden van de fraaie schoolplaten van M.A. Koekoek niet heeft gekend. De plas ontstond toen fonteinkruiden en kranswieren nagenoeg uit onze zoetwaterplassen verdwenen waren. De tijd dat fosfaatrijke wasmiddelen en andere meststoffen de boel grondig hadden verziekt. Het Weerwater zelf heeft geen herinnering, de natuur gelukkig wel. De terugdringing van meststoffen leidde tot de afname van algen, zonlicht drong dieper de waterkolom in en de waterplanten grepen die kans. En zo ontstond onder het oppervlak een landschap dat een vergelijking met de platen van M.A. Koekoek glansrijk kan doorstaan.

Of zijn er toch verschillen? Weldegelijk. Koekoek zou mogelijk nu ook een Amerikaanse rivierkreeft op de plaat gezet hebben, want die zit inmiddels ook in het Weerwater. De rivierkreeft wordt algemeen gezien als plaag omdat hij alle waterplanten zou opvreten. Zoals de naam doet vermoeden, is het geen inheemse soort. Hij wordt vanwege zijn explosieve populatiegroei en effect op de inheemse natuur geschaard onder de noemer van invasieve exoot. Zoals Fred Pearce in zijn boek The new wild, why invasive species will be nature’s salvation duidelijk maakt weten exoten echter met name in onevenwichtige ecosystemen een plek te veroveren en de boel (verder) te verklooien. Exoten zijn zo volgens Pearce de lakmoesproef van gezonde natuur.

Als die rivierkreeft zo schadelijk is voor waterplanten, hoe kan het dan dat nog steeds ten behoeve van de recreatievaart de waterplanten worden gemaaid? Kennelijk is het Weerwater zo veerkrachtig dat het de aanval van de hongerige kreeften kan weerstaan. Waar ik nu juist bang voor ben, is dat met het maaien van waterplanten ook die veerkracht uit het systeem wordt geknipt. Waarmee de kreeften een momentum krijgen om de waterplanten geheel weg te krijgen. Wat weer blauwalgenbloei kan veroorzaken.

Mijn gemijmer stopt als mijn oog gevangen wordt door een klein groepje knobbelzwanen. Slobberend en grondelend vreten zij hun buikje vol aan diezelfde waterplanten. Ik tel de vogels, scoor automatisch de leeftijden. Zij zijn onderdeel van dat ecosysteem en vormen één van die vele radertjes, onderling verbonden, die het systeem in evenwicht houden.

Ton Eggenhuizen


1 reactie

Nutteloos zwanenafschot

zwaangevechtDenk je zo langzamerhand alles wel te hebben meegemaakt. Na 20 jaar zwanenonderzoek in de stad en meer dan 2000 vogels van een ring te hebben voorzien zouden er niet veel verrassingen meer kunnen zijn, nietwaar? Toch zijn er momenten dat wij ons ook vol verbazing op het achterhoofd krabben.

In april ontvingen we een terugmelding van een door ons geringde zwaan die in meerdere opzichten bijzonder te noemen is. We ringden deze vogel op 21 augustus 2013 als nagenoeg volgroeide eerstejaars mannetje in een gezin van 6 jongen aan de Noorderplassen in Almere. Na dit moment verdween de vogel van onze radar. Niet zo heel vreemd want in de eerste jaren zwerven de vogels wat rond en komen dan geregeld buiten ons onderzoeksgebied. Jonge mannetjes zijn daarbij iets reislustiger dan hun zussen. De eerste – en tevens laatste – melding kwam bijna tien jaar na het ringen.

Op 23 maart van dit jaar werd de vogel dood aangetroffen bij een boer in Zeeuws-Vlaanderen op 173 kilometer afstand van de geboortegrond. Het is daarmee een van de grootste afstanden die door een Almeerse zwaan is afgelegd. Dat op zich is al opmerkelijk. Opmerkelijker is het volgende proza dat de melding vergezelde: “Knobbelzwaan (2 stuks) dood aangetroffen bij een boer die op heterdaad was betrapt met het afschieten van deze zwanen op z’n land. Een van de vogels had een metalen ring op. Boer wordt gehoord als verdachte”. Afzender, de politie aldaar.

Uit een bericht van de plaatselijke krant bleek dat de politie een melding had gekregen van een passerende toerist die het afschot niet vertrouwde. Aangezien er geen toestemming voor afschot van knobbelzwanen geldt in Zeeland, was direct duidelijk dat er sprake is van een – laten we het officieel benaderen – “verdenking van een strafbaar feit”. Dikke kans dat bij een veroordeling een aardige financiële boete, intrekking jachtacte en inname van het jachtgeweer zal volgen.

Het afschot vond plaats op een akker met ingezaaide wintertarwe. Kennelijk met het oogmerk om schade aan het gewas te voorkomen. Knobbelzwanen staan al jaren (2018-2021) in de top 10 van schadeveroorzakende dieren met een schade die jaarlijks ligt tussen de 83.000 en 660.000 euro. Dat lijkt een fiks bedrag, maar valt feitelijk in het niets bij de jaarlijkse schade die droogte en overvloedige buien (hagelschade!) kunnen opleveren. Op provinciaal niveau stelt de schade door zwanen aan wintergraan helemaal niets voor. In de jaren 2014 tot en met 2022 keerde de provincie Zeeland in slechts vier jaar een schadevergoeding uit, variërend tussen € 59,- en € 668,- (bron Bij12.nl).

Inmiddels hebben we van 37 andere vogels een melding gekregen dat deze waren afgeschoten. In de regel komt de melding van de jager zelf, zodat we kunnen aannemen dat daarvoor provinciale toestemming was verleend (Friesland 3, Gelderland 4, Noord-Holland 14, Utrecht 4, Flevoland 2, Zuid-Holland 10). Bedenk daarbij dat afschot nauwelijks helpt bij het voorkomen van landbouwschade en het vele malen effectiever is om broedparen te koesteren, zij jagen immers de grotere groepen jonge vogels uit een territorium. Het is geen wilde gedachte – tijd van het jaar, leeftijd – om te poneren dat het in Zeeland ook om een lokaal broedpaar ging.

Wat een rot manier om tegen een schot hagel aan te lopen…

Ton Eggenhuizen

Ontwerp een vergelijkbare site met WordPress.com
Aan de slag