I’m not aware that you’re not there …

Het ouderlijk huis is verkocht. Ik ging met mijn oudere broer de laatste spullen inpakken, at een broodje in het nieuwe appartement van mijn ouders, reed met de spullen naar L voor Brussel en L boven Brussel en fietste nadien huiswaarts – L voor Brussel. Het deed me weinig, ik heb geen talent voor nostalgie.

Niets is gemakkelijker dan spullen wegdoen. Bij elke verhuis, en dat zijn er in mijn leven veel, bleven een heleboel spullen achter. Stukken leven in dozen, op weg naar het containerpark, waar ze horen. Wat overblijft van mijn kinder- en tienerjaren: een fotoalbum en twee krantenartikels vol fouten.

Het eerste artikel is een interview. Ik was dertien en net Belgisch kampioen geworden op de honderd meter rugslag. Een journalist, Jean H. van Het Belang van Limburg, belde mij thuis op. Ik moest van mijn moeder zelf de telefoon aannemen, wat voor een eerder introvert kind als ik een zwaardere opgave was dan uren trainingslabeur in een bak chloorwater, en maakte een afspraak aan het zwembad van Overpelt.

Ik moest op de foto met R., een oudere clubgenoot die net als ik een Belgische titel had gepakt. In het artikel word ik een paar keer geciteerd, terwijl ik er vrij zeker van ben dat ik geen woord heb gezegd. Ik was een zwemmer net omdat je tijdens het zwemmen urenlang geen woord hoeft te zeggen maar gewoon kan ronddrijven in de poel van je eigen gedachten, die zweven aan de oppervlakte en duiken naar donkere dieptes tussen twee tuimelingen tegen een betonnen wand in.

Het andere artikeltje gaat over een Belgisch jeugdrecord dat ik gezwommen zou hebben op de honderd meter wisselslag, terwijl het opnieuw om de rugslag ging. Een jaar later zou ik ook records zwemmen op de wisselslag maar een krantenartikel daarover is of niet verschenen, of niet bewaard.

Na de trainingen was er muziek. Zo kocht ik als veertienjarige het album Surgery For Zebra van de Tremelose band Metal Molly. Gedurende ruim een jaar luisterde ik elke avond naar Surgery. Later werd dat wekelijks, nog later maandelijks, nog later hooguit een paar keer per jaar.

Afgelopen vrijdag speelde Metal Molly op de Grote Markt van L voor Brussel ter ere van dertig jaar Surgery en ik bleek nog alle nummers van voor naar achter te kennen, ook die van het tweede album, dat ik minder vaak draaide dan Surgery For Zebra. Na het optreden sprak mijn vrouw P. aan, de bassist van de band. Dat ze goed gespeeld hadden, en dat hij ook onze openingsdans had geschreven – “volgens mijn man.”

Ik voelde me dus geroepen om even uit mijn schuilplaats te komen. Dat onze openingsdans Baby don’t worry was, van Broken Glass Heroes, een andere band van P. Dat ik als tiener een tijdje elke dag naar Surgery had geluisterd. En dat het optreden jeugdsentiment was.

Ja, voor ons ook, zei P. Voor een gesprek met een jeugdheld vond ik het meer dan voldoende.

En nu de doos in, die jeugdjaren. Maar Surgery For Zebra houd ik nog een jaartje of dertig bij, om af en toe te luisteren, als een oude zak naar een meerstemmig verleden.

Vakantie van mijn vakantie

Vergaderen vind ik een oneindig fascinerend fenomeen. Ik haat vergaderen omdat het een sociaal evenement is vol ongeschreven regels die ik als mensenschuwer niet onder de knie krijg, omdat het tijdvulsel is dat tergend trager loopt dan de reguliere tijd, omdat het buiten wat onderhuidse spanningen zelden veel oplevert; maar ik houd ook van vergaderen omdat het een sociaal evenement is vol ongeschreven regels die ik graag observeer, omdat de traagheid van het nutsarme tijdvulsel zo scherp afsteekt tegen de panoptische controle onder welke ik mijn gewerkte seconden ooit diende te nutsmaximaliseren en omdat onderhuidse spanningen de venusiaanse kuiltjes zijn in het sociale lichaam dat ik als socioloog zo graag bewonder.

Er was een persoon opgetrommeld van de dienst Menselijke Grondstoffen om het nieuwe loopbaanmanagement toe te lichten, met ontwikkelingsstromen en bijsturingsstromen en meer van dat soort newspeak. Het was een lieve persoon, capabel op de koop toe, en er zijn dagen dat ik weinig meer nodig heb dan lieve, capabele mensen om mezelf binnenstebuiten te trekken van ellende. Dieptepsychologen zouden dat vast wijten aan een vorm van kinnesinne aangezien ik zelf lief noch capabel ben in de meeste van mijn gefaalde persoonlijkheden maar de diepte van de menselijke psychè mijd ik zorgvuldig als een opperhuidse schurft.

Het ging even over de bijsturingsstroom, je zou hem ook de afrit van de loopbaan kunnen noemen, en hoe deze dan wordt gereden. Het eindstation van de bijsturingsstroom is waar “het contract wordt beëindigd” – zo zei de persoon van de dienst Menselijke Grondstoffen het. Het contract wordt beëindigd. Het klinkt als papier in een papierversnipperaar. Contract. Wordt. Beëindigd. De onpersoonlijke lijdende vorm van beëindigen. Het weggommen van de mens uit het ontslag. Want dat is uiteraard wat het contract wordt beëindigd betekent: een mens wordt ontslagen. De pest had ik in, enkel en alleen omwille van die zin. Moppersmurf manifesteerde zich, ik had willen roepen. Heb het toch over mensen, mens! Stop met die taalspelletjes uit het managementjargon en noem de dingen bij naam. Een mens wordt ontslagen. Een mens!

Hoe meer dingen ik moet doen die ik niet graag doe hoe meer ik Moppersmurf word. Toen we nog vaste bureaus hadden in Dilbeek, stond mijn naam naast de deur bij een foto van Moppersmurf. Mijn foto werd veranderd in Moppersmurf – een mens veranderde mijn foto in Moppersmurf. Dat blijft tot de dag van vandaag mijn nummer-één professionele verwezenlijking: het worden van Moppersmurf. Ik weet niet of dat mij in de ontwikkelings- of de bijsturingsstroom zet. Misschien heb ik vooral nood aan vakantie – maar het is al vakantie. Ik wil vakantie van mijn vakantie.

Een andere mens met een ander leven

Wie heeft er een geheugen nodig in tijden van sociale media? Precies zes jaar geleden, in het staartje van de zomer van 2018, stond ik volgens Facebook met mijn snuit paginagroot in De Morgen bij de publicatie van mijn boekje Menselijke grondstof. “Loonslaaf” zo titelde de krant boven mijn verzopen kop. Het was een ander leven. Ik was werkloos – want dat is een interimleerkracht tijdens de zomermaanden – en druk aan het solliciteren bij allerlei hogescholen.

Een dikke week eerder waren we naar een try-out van Peltenaar en held Stijn Meuris gaan kijken voor zijn zaalshow Tirade. Toen hij vroeg of er ook werklozen in de zaal zaten, had ik niet de moed gehad mijn hand op te steken. Een beschaamde mens maakt zichzelf vanalles wijs, bijvoorbeeld dat je als leerkracht tijdens de vakantie niet werkloos kàn zijn.

We waren toen een dik half jaar terug uit Frankrijk, ik had interims gedaan in het BuSO in Beringen en een elitaire school in Hasselt. We woonden in Overpelt en ik had net een positie als leerkracht Humane Wetenschappen in Lommel misgelopen. “Volgens mij ben je vreselijk intelligent,” had de directeur gezegd na de derde sollicitatieronde, “maar ik heb iemand nodig met meer ervaring. Die heb ik gevonden.”

Dat soort gesprekken verliep via mijn Nokia 3310. In Frankrijk had ik zonder telefoon geleefd en dat was een goed leven. iPhone was al aan editie tien (de X had ik nog verkocht als callcenterslaaf van Orange aan de luchthaven van Lourdes) maar zelf had ik nog nooit een smartphone in mijn pollen gehad. De Nokia en ik hadden een rampzalige relatie. Vaak nam ik te laat op, of hoorde ik niet wat aan de andere kant van de lijn werd gezegd. “Je moet godverdomme leren bellen,” zei mijn vrouw, “je bent precies een wereldvreemde gek.”

Maar ik wàs een wereldvreemde gek.

Op de dag dat ik naar Antwerpen-Berchem treinde om het contract voor Menselijke grondstof te ondertekenen in de Lange Pastoorstraat, faalde ik ook om de telefoon op te nemen. Mijn vrouw had haar driemaandenecho voor haar vierde zwangerschap, we hadden toen één dochter, ze had me willen bellen maar ik was zoals vrijwel altijd onbereikbaar door een gebrek aan telefoonvaardigheden. Je kan dat grappig vinden, iemand die bijna een jaar in een callcenter werkt en niet in staat is te telefoneren, maar in mijn geval was het vooral tragisch. Een jaar lang had ik professioneel iets gedaan wat ik helemaal niet kan, enkel en alleen omdat er een kind was en geen geld om het op te voeden.

Dus liep er een sms binnen met precies één woord. Miskraam. Met dat woord moest ik nog van Olen tot Pelt treinen, door de Dorpsstraat te voet langs het marktplein en het gemeentehuis met schoenen die loodzwaar tikten op de kasseien.

En toen kwam het boek uit en belde ik mij de ziel uit het lijf. De Morgen was eerst en we spraken af voor een interview in Hasselt. Ik was te laat vertrokken maar dacht dat ik dit wel goed kon maken door sneller te fietsen. Op een kleine veertig kilometer kan je tijd winnen. Onderweg begon het te miezeren, wat ik niet had verwacht, en in Hasselt kon ik de locatie niet meteen vinden. Toen ik iets te laat binnenwaaide als een uitgemergelde, verzopen kater stelde de journaliste zich voor. En de fotograaf.

Ik wist niet dat er een fotograaf ging zijn. Ik kleedde me in twee minuten om in de toiletten en ging met de fotograaf mee voor een ontmaagding als beeldobject. Ik wist me geen houding te geven en volgde slaafs de aanwijzingen – ga daar eens staan, doe je hand zo, kijk eens naar daar. Het resultaat is wat het is: een geslagen man die als een onbetrouwbaar dier wacht op een gelegenheid om te vluchten.

Het is best grappig om vandaag diagonaal te lezen in de artikels die over mijn boek verschenen, de citaten die mij werden ontfutseld. Met behoorlijk wat meningen die ik toen had, ben ik het vandaag niet meer eens – ik gun mezelf het genot van voortschrijdend inzicht – maar het fundament van mijn denken is ongewijzigd.

Menselijke grondstof heeft mij veel gegeven. Ik zat in een sollicitatiegesprek enkele dagen nadat het interview in De Morgen verscheen, in Antwerpen was dat, en moest eigenlijk enkel wat knikken en schaapachtig lachen om aangenomen te worden.

Na een sollicitatiegesprek in Brussel, bij de school waar ik vandaag nog steeds werk, zat ik in een stoeltje op het Muntpuntplein met mijn Nokia 3310. Een journalist van Knack las me het artikel voor dat hij had geschreven op basis van een lang telefoongesprek enkele avonden voordien. Hij belde me eigenlijk om te vragen of ik het nog diezelfde namiddag kon nalezen maar ik moest hem ietwat beschaamd bekennen dat ik geen toegang had tot internet. Geen smartphone? Euh. Maar kan je niet ergens op een computer? Euh. Wat ben jij, een wereldvreemde gek? Euh.

Ik stelde voor dat hij het stuk gewoon publiceerde maar zijn journalistieke trots zat hem in de weg. Dus las hij het stuk voor. De helft heb ik niet verstaan met mijn stomme Nokiaatje dus zei ik dat alles goed was en het zo het boekje in kon.

De herinnering die Facebook mij oplepelt, is een herinnering aan een andere mens met een ander leven. Maar vanochtend, nu er weer regen valt en de vaste grond onder mijn voeten gaat glijden, zou ik niets liever zijn dan die andere mens, die als een ware Houdini altijd een groteverdwijntruc achter de hand leek te hebben. Een wereldvreemde gek, dat wel, maar eentje die met geen touw viel te binden.

Hey you don’t be silly

Ik zie geen kraantje dus zet ik mij op een trooststoel op het kerkhof van Grimbergen. Misschien is het er wel maar zie ik het niet. Het is twintig over zeven ’s avonds en sinds twintig voor zeven deze ochtend heb ik 270 kilometer gefietst, drie liter water en een koffie gedronken, twee mattentaartjes en een snickers gegeten. Mijn lichaam is in conditie, maar mijn hoofd niet in de conditie om nog te zien of na te denken.

(Mijn lichaam is niet echt in conditie. Drie weken geleden ging ik op bezoek bij een collega die haar voet brak na het dansen. Dat was ook een beetje mijn schuld want ik had stiekem meegedanst. Dus reed ik met een omweg naar haar huis, gleed uit op de spekgladde fietsersbrug over de A12 in Meise en werd beloond met een gekneusde dijbeenkop en drie gebarsten ribben. Veel rusten, zei de dokter, maar omdat rusten de meest pijnlijke activiteit is, houd ik het op veel niet-rusten.)

Negentig procent van het werk is klaar, parafraseer ik Georges Leekens, en stap opnieuw op de fiets. Ik heb geen troost nodig maar water en bij gebrek daaraan kan ik net zo goed naar huis fietsen. Dat was sowieso het plan

Na jaren dommigheid weet ik precies wat mijn lijf en leden doen na ruim tien uur fietsen: ze functioneren. Wat mijn hoofd doet, weet ik ook: het zeurt maar dat doet het eigenlijk altijd en het heeft dus minder invloed op mijn Dasein. De Duitse cultrenner Jens Voigt maakte school met zijn uitspraak Shut up legs! maar bij mij zijn het nooit de benen die hun bek moeten houden.

De rit ging van Leuven naar de piste in Roubaix en opnieuw huiswaarts. Het is een circuit van de fenomenale Leuvense randonneurs voor een Brevet Randonneur Mondial (BRM) van 300 kilometer. Het zit al twee jaar in mijn gps maar het is er nog niet eerder van gekomen om het te fietsen.

In Silly – wat een leukere naam is dan Opzullik – wil ik bevoorraden aan de Proxy Delhaize. Ik ben kwartweg dus wat eten is welkom. Aan de inkom verkoopt een man prullaria om de rolstoel van een meisje te bekostigen. Ik beloof hem wat kleingeld als hij even mijn fiets in het oog houdt terwijl ik twee mattentaartjes koop.

Veel heb ik niet bij op mijn tochten: wat herstelgerief, een paar muntstukken, de huissleutels, mijn telefoon en een bankkaart. Qua voeding start ik met twee bidons water die ik onderweg een paar keer probeer bij te vullen. Aan gelletjes en sportdrank doe ik niet want strikt genomen doe ik niet aan sport.

Alle materiaal past in een klein frametasje dat net achter mijn stuur staat. Meestal vergeet ik na mijn aankopen om de bankkaart in het tasje te steken. Een paar kilometer verderop geraak ik dan in paniek, open het tasje, vind de kaart niet en begin de achterzakjes van mijn truitje te betasten. Meestal vind ik de kaart daar.

Vandaag ben ik vooruitziend: ik steek de bankkaart in het frametasje terwijl ik een muntstuk neem en aan de man geef. Ik buffel de mattentaartjes naar binnen, gooi het afval in de vuilnisbak en vertrek. Tenminste, dat is wat ik denk dat ik doe.

De piste van Roubaix ligt op een hinkstapsprong van de grens. Toch weet ik dat ik in Frankijk ben wanneer ik een restaurantje passeer dat een dagschotel met koffie en dessert geeft voor dertien eurootjes. Ik twijfel maar besluit toch maar het rondje op de piste te rijden alvorens het middagmaal te nuttigen.

Aan de piste is een cafeetje en dat is zeer geschikt voor een koffietje. Ik open mijn frametasje om de bankkaart op te vissen maar vind ze niet. Ik betast de achterzakken van mijn truitje: geen bankkaart. Terug naar het frametasje. De achterzakken. Andere opties zijn er niet. De bankkaart is weg.

Silly me heeft in al zijn vooruitziendheid drie uur geleden zijn bankkaart met de verpakking van twee mattentaartjes gedumpt in een vuilbak in Silly. Ik zou niet weten hoe ik ze anders ben kwijtgespeeld. Er komt gedoe van. Ik blokkeer mijn kaart, of dat probeer ik, maar ik moet eerst de grens weer over. Misschien is dat niet waar, dat ik de grens over moet, maar in ieder geval lukt het pas wanneer ik in Le Communal in Steenput een koffie drink aan de toog en mijn twee bidons laat bijvullen. In mijn frametasje blijft nog anderhalve euro over.

In Bièvres zit ik door mijn suikerreserves heen en val binnen bij een kruidenier. Of ik met payconiq kan betalen? Kan niet, maar een rechtstreekse overschrijving kunnen ze accepteren. Ik open de bank-app maar omdat die al meer dan 30 dagen niet meer is geopend – het zouden er ook 300 kunnen zijn – moet ik me identificeren. Dat kan via mijn bankkaart maar die ligt vermoedelijk in een vuilnisbak in Silly. De app Itsme is een andere mogelijkheid maar die heb ik uiteraard niet omdat ik al drieënveertig jaar ongeschikt ben om dingen te doen die mij op cruciale momenten het leven zouden vergemakkelijken.

Ben je van in de buurt?, vraagt de dame. Niet meteen, zeg ik. Dus ruil ik het leeuwendeel van mijn anderhalve euro in voor een snickers, die ik oppeuzel in de schaduw voor de winkel. Ik had ook een busje volle melk kunnen smaken maar dat budget zit nu in de rolstoel van een meisje uit de geburen van Opzullik. Het is daar alles welbeschouwd beter besteed dan aan mijn silliness. Met de snickers in mijn bloedbaan ga ik op pad voor de laatste 85 kilometer, die mij dus brengen naar een trooststoel op het kerkhof van Grimbergen.

Water vind ik niet meer, geld nog minder en goesting om nog ergens te stoppen al helemaal niet meer. Ik ken de route vanaf hier en kan dus mijn gps stil zetten. Tot even voor Kampenhout een vrij cruciale brug opgebroken blijkt en ik voor een tigste keer aanloop tegen dat vreemde fenomeen van de reiziger: je kan moeiteloos 300 kilometer fietsen / 50 kilometer stappen maar wanneer je onverwacht een paar honderd meter op je passen moet terugkeren, zinkt de moed je samen met je tranen de schoenen in.

Uit respect voor de wet van Murphy zou een lekke band op de laatste gravelstrook mijn deel moeten zijn. Die kreeg ik twee maanden geleden na 330 kilometer tijdens de BRM van 400 kilometer. Na een namiddag en een halve nacht in de regen via de Oostkantons naar Monschau en weer naar Leuven, voelden mijn benen nog fris maar de lekke band brak de veer. Vandaag breek ik echter de wet van Murphy – een dag geen wet overtreden, is een dag niet geleefd zo leer ik steevast mijn derdejaarsstudenten – en bol ik rustig via de Leuvense Vaart weer binnen.

’s Avonds drink ik een negroni te veel, krijg op mijn doos met Carcassonne en daarna ook nog met regenwormen maar dat is normaal: mijn brein zit nog op een trooststoel in Grimbergen te treuren om mijn verloren bankkaart in Silly.

Een onbarmhartig jaar voor fietsers

Ware ik een kleiner man geweest – haha menneke, ge zijt de kleinste van al! – ik had godnondedju ne keer bijgehouden hoe vaak ik dit jaar al op de fiets gedoucht ben; of wat ik wil zeggen is, ware ik niet zo godsgruwelijk lui geweest, ik had bijgehouden hoe vaak het dit jaar al heeft geregend op de fiets. Want ge moeten weten, voor een luierik ga ik best vaak werken en altijd met de fiets, het vervoermiddel bij uitstek voor luieriken en …

Bon. We gaan stoppen met doen alsof de monologue intérieure in 2024 nog een relevant stijlmiddel is.

Het is een onbarmhartig jaar voor fietsers. Dat wil ik kwijt.

Vandaag mikte ik een ritje van 200 kilometer in mijn dag. Verder ging niet want Lin moest de nacht werken en ik moest tijdig thuis zijn. Om 7u sloot ik zachtjes de voordeur achter mijn achterwiel en fietste via het principauté liberale de Wanzoul over de Muur van Hoei door het Land van Modave via Marchevolette en Florival terug naar de heimat. De hele dag hing een weerfrontsplitsing boven mijn kop en pas in de laatste zestig kilometer belandde ik in de verkeerde helft.

Het begon met wat gemiezer en gezever, dus besloot ik geen kortere route te nemen. Op de steilste flanken van de Holstheide ging het alsnog gieten en dampwolkjes verlieten mijn mond. Een graad of zes, zo schatte ik, en het is 4 mei. (Het is 4 mei! Ik heb nog geen tien keer een volledige rit in korte mouwen gefietst terwijl ik dat vanaf 12 graden sowieso doe!) Ik moest nog een kilometer of vijfentwintig gaan en de benen vonden even van niet.

Het is een onbarmhartig jaar voor fietsers. Meedogenloos.

Vorige week deed ik mee aan de actie #ikfietsnaarhetwerk. Het grappige is dat ik jaarlijks zo’n 8500 kilometer woonwerkverkeer bijeen fiets maar net op de dag van #ikfietsnaarhetwerk moest ik eigenlijk niet werken. Dus fietste ik naar mijn werk om niet te werken. Ook dat gebeurt wel vaker maar dan vooral op dagen dat ik wel moet werken en niet met voorbedachten rade.

Mijn doel was om de frietkraam op het werk te winnen. Er waren ook een heleboel individuele prijzen maar die interesseren mij geen flikker. De frietkraam, dat was mijn doel, dus maakte ik een onnozel filmpje op Instagram.

(Voor de Hermankenners die even buiten westen zijn omdat ik Instagram heb: twee jaar geleden moest ik een account aanmaken om een opdracht van studenten journalistiek te kunnen bekijken en toen ben ik dat ook maar gaan gebruiken. Ik maak enkel onnozele dingen over een onnozele bezigheid van mij, namelijk fietsen.)

Dus maakte ik een onnozel filmpje op Instagram over het feit dat ik niet enkel op #ikfietsnaarhetwerk-dag naar het werk fiets maar ook op elke andere werkdag. Ik stoffeerde het met foto’s uit de vroege uurtjes, in de sneeuw, in de gietende regen en zette er een van de meest debiele liedjes-over-fietsen onder die ik ken.

Uit liefde tagde ik de socialemediaprofielen van mijn werkgever. Voor het bereik uiteraard ook, want frieten vragen bereik, maar vooral uit liefde. Zoals al te vaak bleef mijn liefde volstrekt onbeantwoord. Ik zag foto’s van collega’s die nooit naar het werk fietsen op de profielen, die wel, maar geen Herman. Arme Herman, kan je denken, maar dit is uiteraard typisch voor tijden van sociale media. Net zoals je geen programma maakt over arme mensen maar wel over mensen die een uur of vier doen alsof ze arm zijn, maak je geen posts over fietsers maar wel over mensen die doen alsof ze fietser zijn.

Had het maar geregend tijdens #ikfietsnaarhetwerk, dat zou rechtvaardig zijn in dit onbarmhartige zondvloedige jaar. Want toen ik later in de week anderhalf uur door de regen naar Brussel fietste en merkwaardig genoeg redelijk droog toekwam – zo hard blies de wind op kop – was er geen alsoffertje meer te bespeuren in de enige plek op het werk waar ik tot mijn recht kom, zijnde de fietsenstalling.

Het is een onbarmhartig, liefdeloos jaar voor fietsers. Het is een jaar van onbeantwoorde liefde. En je weet wat de tonpraters er over zeggen: liefde maakt meer kapot dan alcohol goed kan maken. (Dixit tonprater Ger Frenken in De laeste pils haaij ich neet moage hubbe.)

Op trot

0,8 km – Verbranden Toren. Er rinkelt altijd iets in zijn broek- of jaszakken. Of we nu een half uurtje gaan lopen, een halve dag fietsen of twee dagen backpacken, altijd worden we vergezeld door gerinkel van kleingeld, aanstekers, sleutels. Wat sleep je weer mee, vraag ik. Pilletjes, zegt hij, om te stoppen met roken. Je mag er tien per dag nemen maar ik heb er nog maar twee gehad. Het is kwart over negen.

4,4 km – Vuilenbos. We babbelen over alledaagse dingen – drugs, tatoeages, de proteïneshakes die hij drinkt om op Jerommeke te lijken. Of ik nog een nieuwe tatoeage wil laten zetten. Een fiets, zeg ik, maar getekend in Bauhaus. Dat zeg ik al een jaar maar ik ben te inert om een afspraak te maken. Zou ik mijn oor laten tatoeëren, vraagt hij. Nee, zeg ik. Ik zou niet je oor laten tatoeëren. Uit je gezicht en je hals moet je wegblijven want dan kijken mensen de hele dag naar jou, op de bus bijvoorbeeld. Ik heb niet graag dat mensen op de bus naar mij kijken, zegt hij.

7,6 km – Mollendaal. We praten over dakloosheid want vorige week zat ik in een debat met een aimabele sociaal werker die daklozen ondersteunt. Zijn broer is dakloos. Iemand zou mijn broer moeten helpen, zegt hij. Maar die wil niet geholpen worden. Dan mag je niet helpen, eh. Je mag niet dwingen, alleen wanneer iemand in levensgevaar is. Als je dat op mijn examen ethiek zegt, ben je geslaagd, zeg ik. Hij lacht. Als je zelfmoord wil plegen, dan ben je toch in levensgevaar? Ja, zeg ik, dan ben je in levensgevaar. Hij struikelt bijna over zijn eigen voeten en we beginnen te lachen.

10,6 km – De Torenvalk. We zijn even in de uitkijktoren gaan schuilen voor de regen. Wanneer we opnieuw op pad gaan, gesp ik eerst mijn rugzak om. Daarna ga ik voor hem staan en regel de banden van zijn rugzak bij. Het is het meest intieme moment dat we samen hebben. Ik sta voor hem, span de banden aan, leg ze juist op zijn schouders. Het is een daad van liefde, of zo voelt het tenminste. Ik span de banden aan van de rugzak van mijn vriend.

15,6 km – Campus Arenberg. Voor ons wandelt een student met een fiets. Hij heft het achterwiel op. We kijken naar elkaar, hij begint te lachen. Ik denk niet dat hij die fiets aan het stelen is, zeg ik. Kijk wat een wrak het is. En het plaatje vanachter is van Velo, dus is het een gemerkte huurfiets voor studenten. Hij vertelt me dat de fiets van Jean-Marie is gestolen. Een rockrider. Hij zegt dat er is ingebroken bij de buren. Ik heb nooit in de gevangenis gezeten, zegt hij, maar sommige van mijn vrienden wel.

18,4 km – Tiensestraat. Hij wil een familiepak frieten bestellen maar dat raad ik hem af. Het wordt een grote, met een grizzly. We eten. Weet je nog in Hoegaarden, vraagt hij. Toen we op dat bankje aan de kapel zaten te eten, dan was daar toch zo’n louche type dat daar zat? Dat weet ik niet meer, zeg ik. Ik weet wel dat er eens een man op een bankje aan de kapel zat. En dan kwamen daar twee louche types zitten om frieten te eten. Hij lacht. Misschien zijn we daarom vrienden, omdat we dezelfde onnozele moppen maken.

(Enkele weken geleden kreeg ik een tekening die hij had gemaakt voor de week van de vrijwilliger. Heel gelijkend, zei ik. Je lijkt precies Jerommeke. Ja, en jij een clochard – Het is echt waar, we lachen allebei om dezelfde onnozele moppen.)

20,1 km – Brugstraat. Ik heb gestuurd dat we thuis langskomen voor een koffie. Mara staat ons in de deuropening op te wachten. Waar is Jay, vraagt ze, maar als hij de deur binnenstapt duikt ze weg achter de benen van haar moeder. Ze had duidelijk iemand anders verwacht. We drinken koffie. Ik heb zelfs toiletpapier mee, zegt hij. Voor we vertrekken ga ik naar het toilet. Hij niet. Een kilometertje verderop duikt hij met zijn toiletpapier de bosjes in en blijft een paar minuten weg.

20,4 km – Abdij van het Park. De beiaard speelt de Negende van Beethoven. Ken je dat, vraag ik. Dat is het Europees volkslied. Ik zing de melodie. De Negende van Beethoven, zeg ik. Ah, zegt hij, dat is een mooie film, Beethoven. Van de componist, vraag ik, van de muziek? Nee, zegt hij, van die hond. Hij kijkt of ik lach. Ik lach. Natuurlijk lach ik.

23,1 km – Steenekruyspad. We stappen langs de voorziening waar hij tien jaar van zijn leven doorbracht. Ik krijg een gedetailleerd verslag van de sociale kaart. Welke groepen waar zitten, waar hij zelf heeft gezeten, de regimes waaronder hij leefde. Daar zitten de geïnterneerden, zegt hij. Dat ken je toch, geïnterneerd? Ik zeg dat ik het ken. We nemen de bocht en hij glijdt bijna onderuit. We lachen. En daar achter dat hek, zegt hij, zitten de geïnterneerden met een beperking en daarnaast zitten de normale mensen met een beperking. Ik overschrijf een hersencel of vijf en noteer in mijn brein: normale mensen met een beperking.

25,8 km – Ruisbroekmolen. We zitten op een bankje. Er is een gat in mijn kous dat er tien kilometer geleden nog niet was. Hij zegt dat hij geen verrader is. Ik was aan het station gepakt met drugs, zegt hij, maar ik heb tegen de politie gezegd dat ik het met de bus in Nederland was gaan halen. Ik heb mijn broer en mijn vrienden niet verraden. Toen heb ik wel even in isolatie gezeten. Sommige mensen laten tranen op hun wang tatoeëren, zegt hij, want je mag wel wenen in de gevangenis maar niemand verklikken. Nu doe ik geen drugs meer. Dat is niet goed, eh, drugs. Nee, zeg ik, dat is niet goed.

Alles wat hij vertelt is honderd jaar geleden. Ik vraag me af wat de verhouding is tussen verhaal en feiten. Bij mij durft de balans wel eens door te wegen richting verhaal. Zeker hier, zeker nu.

26,9 km – Sint-Hilariusgat. Het begint weer harder te regenen. We slabakken. Zou je naar Scherpenheuvel kunnen stappen, vraagt hij. Ik denk het wel, zeg ik. Dat is niet zoveel verder dan we vandaag gaan doen. Vandaag stappen we dertig kilometer. We hebben al ooit veertig kilometer gedaan, in de Ardennen. Scherpenheuvel is een beetje tussen de twee. We zullen dat wel eens doen. Hij valt bijna over een scheve kassei. Maar dan ga je wel moeten leren stappen, zeg ik. We lachen.

29,3 km – Vinave Kapelleke. De stiltes worden langer. We zijn allebei verzonken in gedachten. Over een paar minuten zijn we thuis. Gaan we deze zomer over het strand wandelen of over de dijk? Een beetje van allebei, zeg ik, maar ik moet de route nog eens goed bestuderen. En we gaan op voorhand toch nog wat moeten trainen want ik ga niet op pad met een platte zjat die de hele tijd over zijn eigen voeten struikelt. Hij lacht. Ik lach. Wij zijn maten met hetzelfde onnozele gevoel voor humor.

Het bedje

In de vroege lente van 2017 droeg ik een stapel houten planken en twee handenvol schroefjes tweehoog in ons halfverdiepjeshuis in Tarbes. Liefdevol binnensmonds vloekend schroefde ik ze aaneen, haalde ze weer uiteen omdat ik de eerste wand averechts had gemonteerd, sleutelde alles een tweede keer fout en een derde keer juist in elkaar en bewonderde na enkele uren uitgeput het tweedehands bedje waarin onze dochter zou gaan slapen nu ze op enkele weken tijd haar mandje op onze kamer was ontgroeid.

Er zijn twee zaken die de school mij vergat aan te leren: muziek en technisch tekenen. Veel had er mee te maken dat ik de meeste lessen van deze vakken op de gang doorbracht wegens onverenigbare meningsverschillen met de respectieve leerkrachten. Muziek heb ik mezelf aangeleerd, met technisch tekenen is het nooit iets geworden. Zonder Scandinavisch bouwplan ben ik verloren.

Aan het krakkemikkige bedje speelde ik liedjes voor Sam, die vandaag zeven jaar oud is geworden maar toen voor slechts enkele procenten het bedje vulde met haar tengere lijfje. Cats in the Cradle van Harry Chapin zat in mijn vaste setlist en dan kirde het katje zachtjes onder het mobieltje dat de professor en zijn prachtige vrouw haar cadeau deden. Het zonlicht weerkaatste op de sneeuw van de Pic du Midi en viel ruimhartig op de olijfboom in het voortuintje.

Negen maanden later schroefde ik het bedje uiteen, laadde het in een gehuurde camionette en reed het neerslachtig naar het pannenkoekenvlakke Noord-Limburgse Bosland, de verste plek van de Pyreneeën op aarde. Ik droeg de planken en schroefjes het hoekje om, de trap omhoog en sleutelde het bed opnieuw ineen in de slaapkamer, liefdevol binnensmonds vloekend op de onmogelijke schroefposities: één hand om de te schroeven wand vast te houden, één hand om de schroevendraaier te hanteren, één hand om de schroefjes op de juiste plaats te houden.

Het was zoals toen ik de eerste keer kippen op transport ging zetten: handen tekort.

Enkele maanden later ging het bedje naar de kamer ernaast. Het paste niet door de deur, ik kon pivoteren zoveel ik wilde maar het onbuigzame hout gaf geen krimp. Liefdevol binnensmonds vloekend schroefde ik het bedje uiteen, droeg planken en schroefjes door de deuren en sleutelde het drie meter van haar vorige verblijfplaats opnieuw ineen.

Sam sliep vast in het bedje, waarvan ik de bodem losvees om hem in een lagere stand opnieuw te monteren. Tijdens de Noord-Limburgse muggenzomer plaatste ik een klamboe over het bedje op de plaats waar een jaar eerder nog een mobieltje had gehangen. Aan het einde van de zomer schroefde ik het bedje uiteen, droeg het naar beneden en plaatste het in de laadbak van weer een gehuurde camionette.

In een appartement aan De Jacht droeg ik de wanden en schroefjes de trappen omhoog, opende een raam – je kon er het Meerdaalbos rieken – en sleutelde het bedje opnieuw ineen. De nachten gingen levensmoeizaam, ik verplaatste het bedje naar onze slaapkamer. Het paste niet door de deur, pivoteer jezelf maar een ongeluk, dus schroefde en droeg en sleutelde ik het bedje opnieuw naar onze slaapkamer om het enkele maanden later uiteen te vijzen, een kamer te verhuizen en ineen te vijzen in de kamer ernaast.

Ik droomde van schroeven en sleuteltjes, en van een opblaasbedje voor kinderen. Ik zwoer een dure eed dat het de laatste keer zou zijn.

Toen Sam naar de instapklas ging, schroefde ik het bedje uiteen, droeg de wanden en schroefjes naar de garagebox in de kelder van het appartementsblok en zette het achter de fietsen en de panelen van een oude kast. Er kwam een vierde miskraam. Even leek het erop dat het bedje nooit meer uit het spinnenrag zou komen tenzij voor een slotceremonie op het containerpark.

Nog voor de vierde verjaardag van Sam gingen de wanden en schroefjes echter in een camionette, droeg ik ze de kelder in van het verse huis waar we zwanger introkken – je hoort er de beiaard van de Parkabdij. In de late lente daarop droeg ik de wanden en schroefjes twee verdiepingen hoger, schroefde ze liefdevol binnensmonds vloekend ineen en legde er een nieuw hoopje mens in. Het kirde niet als een katje maar blèrde de planken uit de vloer. Misschien kwam het omdat ik niet langer Cats in the Cradle speelde maar November Rain, wat ze hartverscheurend overjammerde.

Ons stukje liefde hield ons nachtenlang wakker. Er kwam slaaptraining aan te pas, nachten in estafette en veel moedeloosheid. Mijn vege lijf plooide zich naar nachten op de uitgewoonde zetel, die twee verhuizingen meer op de teller heeft dan het bedje. Bezorgde collega’s voerden sterke koffie aan wanneer ze mij als een uitgewoonde bejaarde op kantoor zagen verschijnen.

Alles werd geprobeerd, niets werkte. Het bedje verhuisde naar de kamer ernaast. Ik zwoer dure eden. Door de deur paste het niet, ik pivoteerde me een ongeluk, dus haalde ik het uit elkaar en schroefde het opnieuw ineen. Ik zwoer dure eden, ging halve nachten naast het bedje zitten terwijl het hoopje liefde zichzelf in slaap schreide, haalde het wanhopig opnieuw uiteen, sleutelde het naast ons bed weer aan elkaar, we hielden beurtelings de wacht, gaven het op en verhuisden het opnieuw – uiteen, dragen, ineen – naar de kamer ernaast.

Nog later gaven we het een kans op de zolder – het bedje paste niet op de trap dus er kwam wat schroeven en dragen en sleutelen aan te pas. Een week later gaven we dat op. Ik schroefde het bedje uiteen, droeg het de trap af en sleutelde liefdevol binnensmonds vloekend de wanden opnieuw aaneen.

Dure eden zwoor ik niet meer.

Het bedje is blijven staan tot vorige week. Toen haalde ik uit de kelder de balken en schroeven van het eerste en inmiddels ongebruikte grotemeisjesbed van Sam – zeven keer zoveel materiaal als het bedje, één keer verhuisd, al twee keer ineen en uiteen geschroefd en gesleuteld – en puzzelde het liefdevol binnensmonds vloekend in elkaar.

Het bedje werd gratis online gezet. Gisteren schroefde ik het uiteen. Bij elke stap nam ik een foto om de juiste plaatsing van panelen en schroeven te duiden. Ik droeg de wanden en schroefjes naar beneden en gaf ze aan de mevrouw die het bedje kwam ophalen.

Ze had niet genoeg ruimte in de auto en kreeg de achterzetels niet plat. Dus verbouwde ik haar achterbank en kofferruimte, tetriste alle rommel ineen met de wanden en de schroefjes van het bedje en zwaaide haar de straat uit.

Ik zou hier een blik emoties moeten opentrekken, over de levensfase die onherroepelijk wegreist, over het nooit-meer, tranentrekkend achteruitblikken; maar de waarheid is dat ik niets mis. Niet het bedje, niet het eeuwige sleutelen, niet de slapeloze uitputting, niet de ruzies, niet het peutertje. Blij ben ik, blij dat ze weg zijn, de peuter ingehaald door de voortgang van het leven en het bedje in die koffer tussen de rommel en de vuiligheid.

Voor mezelf is het nu bidden dat bij het volgende bedje iemand mij in bescherming neemt en zegt: “Daar is opa toch veel te oud voor!”

In het schoonste zwart

From the viewpoint of the theory, all elements of a superposition (all ‘branches’) are ‘actual,’ none any more ‘real’ than the rest.

Zo is het maar net, Hugh Everett III. Alle mogelijke werelden bestaan gewoon, parallel aan dit ondermaanse. Zo moeten er werelden zijn waarin ik mijn tienerjaren niet eenzaam doorbracht in een zwarte zwemkom – wanneer ik voor schooltijd solo negen kilometer ging malen in het zwembad van Neerpelt, deed ik nooit de lichten aan want hello darkness my old friend.

In die parallelle werelden speelt tiener-ik – beperkt zoals dat hoort – gitaar in zwartzakkengroepjes die allemaal stiekem De Brassers willen zijn of groepjes die stiekem groepjes willen zijn die stiekem De Brassers wilden zijn. Gruppenbild. Struggler. Beaucoup De Cadavres. Dat volk.

Er is te weinig leven in dit leven om alle levens te leiden die een mens wil leiden. Dingen en mensen komen te vroeg of te laat op je pad. Mogelijke werelden sterven als koude golven in het rooster van de zwemkom. Daar ligt de troost van het multiversum van Hugh Everett III – de pa van E van eels overigens. Die levens zijn er wél, zegt hij, maar je ziet ze niet omdat de menselijke ervaring tekortschiet om de kwantummechanica ten volle te beleven.

In de actuele wereld die wel tot mijn ervaring behoort, ben ik een ex-zwemmer op jaren die op vrijdag na het werk naar de Ancienne Belgique taffelt, onderweg nog een halfje Cara oppeuzelt, en zachtjes meeneuriet met mensen die luid “Want je wordt gecontroleeeeeeeeeee-eeeeee-eeeerd!” over de Anspach doen galmen.

Ik ben alleen hier en zoek een hoog nest. Twee ernstig bejaarde teenagers schuifelen binnen. Jeansvestje, principiële labels mooi waterpas op de schouders gestikt, wandelstok. Ze nestelen zich voor me in het pluche, zetten leesbril op en beginnen te vegen op hun schermpje. Ze openen Facebook en melden dat ze in de Ancienne Belgique zijn voor het afscheidsconcert van De Brassers. Veel mooier wordt het niet voor een socioloog.

Ouwe punkers, dat heb ik altijd geweten, zijn de liefste mensen ter wereld. Er hingen er nogal wat rond in mijn jeugd, in het donkere bosgroen van Noord-Limburg. Samen met mij vullen ze de Grote Zaal van AB en zwoegen zich door twee voorprogramma’s, een heel goei en een goei. Ik spot bekende gezichten, schud zelfs wat handen en schouders.

Hoe bestaat het? Heb ik jou vijfentwintig jaar geleden niet dood zien liggen onder de toog van Den Drempel op een verloren donderdagavond nadat ik, een vers medisch ongeschikt bevonden boeferke uit de militaire school van Bockstael, elf uren in de fabriek pluchen stoeltjes stond te stofferen bij Jezet Seatings?

“Merci, eh.” Zanger Marc Poukens is een lieve punker, dankbaar nog voor de eerste noot klinkt. De Brassers zetten They wanted us away in, een nummer dat nogal wat betekenis draagt in de geschiedenis van de band.
“Goei nummer, eh.” Hij zal het na de helft van de nummers herhalen. Ja, goei nummers, stuk voor stuk. Geschilderd in het schoonste zwart. Pijn. Ik wil eruit. Broertje. Twee akkoorden en scheuren maar.

“Soms hedde goei volk aan ow deur. En soms hedde minder goei volk aan ow deur.” Sietse van Meltheads komt zijn topschijf Naïef meebrullen. Stijn Meuris, Pelterse trots, steelt Kontrole en danst zijn hyperactieve bejaarde-dolfijnendans. Haos bast diep verzonken in zijn zeven noten, gaat er bij zitten, zet zich opnieuw recht, wordt op de kop gekust. “Want je wordt gecontroleeeeeeee-eeeeeee-eeeerd, bespioneeeeeeee-eeeeeeeee-eeeeeerd,” brul ook ik mee.

Theoretisch kan het niet, maar in elke tak van het multiversum moet het nummer Kontrole bestaan. Geen gezond universum kan zonder. Ik dein mee in een zachte pogo, krijg enkele lekken bier over mijn kop en dans zoals een kip in een legbatterij – kortgevleugeld vanuit de tenen. Alles is luid, zwart, het duurt een uur en een kwart. Het is af. En toen was er niets meer, alles was gedaan. Uit 1981, zoals al het goede in alle ondermaansen ter multiversum.

Ik schuif over de laatste sneeuw naar het station, peuzel nog een halfje Cara, beland op de trein tegenover de favoriete dichter van uw moeder, ook een Noord-Limburger die achter het station van Leuven vegeteert en geregeld met de fiets naar de grootstad trekt om er voor de kost jonge mensen velerlei zaken diets te maken.

Langzaam knapt het multiversum ineen. Er moeten examens geëvalueerd, een kind met nachtmerrie getroost, verloren levenslijnen betreurd. En er moet weer meer geschreven worden want de gedachten vervliegen in antigeluid nog voor de buiken deftig kunnen interfereren.

Edit: in een parallelle wereld is die dt-fout gewoon blijven staan.

Een Zwitsers scenario

Soms mis ik het applaus voor de zorg.

Het was een uur of half tien gisterenavond toen het whatsappgroepje van Lin haar collega’s zich in gang trok. De collega die de volgende dagdienst diende te draaien, is plots ziek.

“Allee, nog even en we krijgen telefoon,” zei Lin. Er gingen wat appjes heen en weer. We begonnen aan ons huisoverleg. Of ik het zag zitten.

Om half zeven was ze thuisgekomen na haar dagdienst, waarvoor ze om acht uur thuis was vertrokken. Sam had toen nog in bed gelegen. Het was lastig geweest met de kinderen maar niet zo lastig dat mijn energiepeil onder nul ging. We hadden rondgehangen in de bibliotheek, verhaaltjes gelezen, waren door Leuven gefietst. De potjestraining van Mara had drie nieuwe stickertjes en één accidentje opgeleverd. (Tijdens de uitjes had ik gesjoemeld en haar een pamper aangedaan.)

Voor het vaderschap, of minstens die delen die een vorm van duurzame concentratie vragen die niet verdraagt dat je terloops in je eigen hoofd verdwaalt, heb ik geen uitgesproken talent.

Zij had de kinderen mee slapen gelegd, een uurtje na thuiskomst. Ik had nog twee desserts gemaakt voor oudejaarsavond, de kinderen hadden geholpen met het uitlikken van de pot chocomousse. We hadden net samen iets te drinken genomen toen de appjes binnenliepen.

Of ik het zag zitten, dus. Uitkomst van de appjes was dat een collega uit de nacht een uurtje extra zou blijven en de collega die ouderjaarsnacht werkt vroeger kon opkomen. De dagdienst werd zo ingekort. Tien tot vier, in plaats van kwart voor negen tot zes. Of ik dat zag zitten, nog eens driekwart dag alleen met de kinderen en het potje.

Rond tien uur kwam het telefoontje van de centrale diensten van de voorziening. Lin liet het schieten. Tien minuutjes. Misschien vinden ze een collega. Een berichtje werd ingesproken.

Het is een bijzonder beroep, werken in de zorg, en het slorpt niet enkel jezelf op. Drie collega’s passen last minute hun leven aan, en dat van hun gezinnen.

Ik maakte de gedachteoefening van het neoliberalisme, het recept dat steeds vaker en in steeds meer sectoren wordt toegepast. Individuele onderhandelingskracht en marktwetten, dat is de basis ervan. Ik bedacht hoe dat dan zou lopen, dat een medewerker van een voorziening om tien uur ’s avonds moet gaan onderhandelen over de beschikbaarheid van werkkrachten, geldbeugel in de hand.

In zijn boek De grenzen van de markt beschrijft Michael Sandel hoe een Zwitsers dorp via referendum weigert om tegen betaling radioactief afval in haar grondlagen te bergen terwijl het dit wel wil doen zonder betaling. De verklaring is dat het eerste voelt als een vorm van omkoping terwijl het tweede een vorm van gemeenschapszin is. Het is maar een van de vele voorbeelden die Sandel aanhaalt om aan te geven hoe marktwerking invloed uitoefent op gemeenschapszin.

Hoeveel zou de voorziening moeten betalen om mijn vrouw na een lange werkdag last minute ook ’s anderendaags bij haar gezin weg te lokken? Op oudejaarsdag dan nog, een dag waarop de meeste mensen vanalles gepland hebben. En moet ik dan een soort vergoeding vragen voor de extra belasting om mijn eigen plannen om te gooien, de halve uurtjes mentale rust die vrijkomen wanneer we beide thuis zijn om twee jonge kinderen bezig te houden?

Een Zwitsers scenario beheerste mijn gedachten. Want dit is geen uitzondering. De vraag of ik het zie zitten dat zij een extra dienst draait, valt hier meermaals per maand. Ze is eigen aan de zorgsector.

En voor geld zouden we ze nooit maken, die opoffering. Dat geldt voor de meeste mensen in de zorgsector. Je doet het uit gemeenschapszin. Omdat je mensen graag ziet – ook ik. De mensen waarvoor mijn vrouw zorgt, zijn familie. Volgens mijn oudste dochter, de kindermond, zijn het zelfs mijn enige vrienden. De jongste kan ze bij naam noemen wanneer we foto’s tonen. Onze kleine zusjes, zo noemen sommige bewoners mijn kinderen wanneer we op bezoek gaan.

Ze belde naar de centrale diensten. We dronken ons drankje, gingen naar bed. Om kwart over negen is ze vertrokken, de oudejaarsplannen zijn een uurtje opgeschoven. De kinderen plakken het huis onder de klei en ik tik deze bespiegelingen bij een koffie.

Precies daarom mis ik het applaus voor de zorg. Omdat het, in een tijd waarin we echt als individu op onszelf waren aangewezen, voor iedereen duidelijk werd dat individuele keuzes en marktwetten ons nergens brengen, als puntje bij paaltje komt.

Au boulot

Tijdens de laatste dag van mijn zomervakantie, die verdacht op een lange herfstvakantie had geleken, nam ik de idiote beslissing om naar Dinant te fietsen. Ik reed de route een half jaar geleden al eens. Tweehonderd kilometer, waarvan misschien een derde over routes dégradées in uiteenlopende staten van ontbinding, ontbering en ontbetonning. Grondverharding betekent iets totaal anders voor een waterstandenmeter dan voor een fietser.

In mijn hoofd klopte het. Fotootje pakken aan het centrum van België in Nil, koffiekoeken in Gembloux en halverwege in Dinant op den dijk een tomatensoep. Temporiseren tot aan het kanon aan de kerk van Autre-Eglise en dan volle boenk via Beauvechain naar huis. Het zou bewolkt zijn en niet te warm. Maar tussen de koffiekoeken en de Maas begon ik al wat te borrelen. In Dinant bleek een feest aan de gang. Er werden worsten gebakken, waarvoor een kleine zevenduizend man stond aan te schuiven. Ook ik bakte als een braadworst in de laffe zon. Wachten deed ik eveneens, maar dan in een file met SUV’s die dicht genoeg tegen de stoeprand reden zodat fietsers niet konden voorsteken.

Zwetend als een ossenhaas zette ik me even op het bankje naast Adolphe Sax aan zijn geboortehuis. Ik at een half pak druivensuiker en besloot de soep de soep te laten. Op de Charreau de Leffe liepen mijn benen vol. Een kleine twintig kilometer later kwam ik eindelijk aan een cafeetje. Au boulot, heette het, in Maillen. Of ik mijn bidons wilde vullen. Uiteraard, maar kon ik betalen met bancontact? Bidonnen zijn gratis. Of ik er dan een pintje en een cola bij kon krijgen. Dat kon.

In het café was het 1987 gebleven. Er werd aan de toog gerookt en aan de muur hing een klok van Johnny Hallyday. Sacré Johnny.

In alle fabrieken en slachthuizen waar ik in Frankijk heb gewerkt, hielden mijn collega’s onironisch van Johnny. Merkte ik toen ik er eens een grap over maakte. Het ging eigenlijk over Brel, dus zei ik: “Wij houden Brel. Jullie hebben Johnny al gekregen.”

(Misschien moet ik die uitleggen. Brel is een Belg die in het buitenland vaak voor Fransman is versleten. De – volstrekt afwezige – biologische vader van Johnny was een Belg, Brusselaar Léon Smet.)

“Jij bent toch niet met Johnny aan het lachen?” Dat was ik uiteraard wel maar ik heb het daarna wel gelaten. Het duurde zelfs niet lang of ik keelde mee door de fabriekshallen, luid over het machinegebonk heen. Que je t’aime que je t’aime! Que je t’aime. Que je t’aime que je t’aime. Que je t’ai-ai-aime … Ik heb industriële nietmachines als micro gebruikt, lege conservenblikken en zelfs de poten van een vers geslachte parelhoen.

Nog later leerde ik de mooiste song van Johnny spelen op gitaar. Quelque chose de Tennessee, met die prachtige eerste regels. On a tous quelque chose en nous de Tennessee. Cette volonté de prolonger la nuit. Ce désir fou de vivre une autre vie.

Na Maillen was de fringale voorbij. Het pintje en de cola hielpen mij tot net voor Beauvechain, waar een domweg achtergebleven steen mijn band om zeep hielp. In de schaduw van een perenboompje herstelde ik de band terwijl een dame op een e-bike precies dezelfde steen misbruikte om tegen de grond te gaan. Ze kon er hartelijk om lachen, dat wel. Bij mij was den troef er definitief uit en tegen een slakkengang trappelde ik de laatste vijfentwintig kilometer uit. Comme une étoile qui s’éteint dans la nuit.

Ainsi vivait Tennessee.

Zo te sterven in het zadel met je benen van papier

In Den Vetten Os, Kapucijnenvoer Leuven, 6 mei 2023. Aangenaam, bewolkt weer. Ik pak mijn spullen, steek mijn controlekaart in het frametasje. Karel, een held, neemt het woord en geeft wat uitleg over de tocht die ons wacht. Op het terras kijken dagjesdrinkers ons toe. Niet-randonneurs. De leegheid van die levens schokt me.*

Overal staan fietsen gestald, tegen de muur en tegen tafels en tegen het windscherm van het terras. Geharde randonneurs hebben typische fietsen, in retro-uitvoering en met glimmende slijklappen rond de wielen. Ik zie bekende en onbekende gezichten, ik groet mensen, schud een hand.

– Benen?
– Dat zullen we over een kilometer of honderd weten.

Ik tik mijn gps aan, kies uit de routes. Leuven-Orval-Leuven. 405 kilometer. De fietsen worden in de hand genomen,de neuzen gaan in dezelfde richting. De koekoek kraait tweemaal, het peloton zet zich in gang. Via de ring naar de Naamsepoort, door de Broekstraat naar de Geldenaaksebaan, waar de eerste bescheiden klim van de dag wacht. Boven aan de expressweg splitst een nukkig verkeerslicht de groep in twee. De meeste renners zal ik niet meer terugzien.

In Neervelp regent het snoeihard gedurende negentig seconden. Opspattend modder kleeft aan mijn kuiten. Mijn gps geeft een foutmelding. Route te lang, kan geen punten meer laden. Ik blijf een bleu. Vorig jaar reed ik mijn eerste Brevet Randonneurs Mondiaux, een tocht van 200 kilometer naar en van Dinant. Ik had geen gps en zag me genoodzaakt aan te sluiten bij groepjes die te snel reden en af te zakken naar renners die te traag reden.

De volgende tocht reed ik met een nieuwe gps. Bij elke tocht kwam er een nieuw stuk materiaal. Frametassen, verlichting, een externe batterij om alle toestelletjes op te laden tijdens de tocht. Ik steel met mijn ogen en koop online wat anderen al lang hebben. Ik reed brevetten van 200 kilometer in volstrekte eenzaamheid en een eerste van 300 kilometer in het wiel van twee ervaren rotten. Een van hen wordt ook vannacht mijn compagnon de route.

Vannacht?

We vertrekken om twee uur in de namiddag en rijden dus een groot deel ’s nachts. Op de frigo hing ik een schema voor mijn vrouw met tussenstops en tijdstippen. Hoei, 16u30. Rochefort en Saint-Hubert. Orval, middernacht. Paliseul en Celles. Ontbijt in de buurt van Namêche aan de Maas. Daarna via Jodoigne huiswaarts, om 11u In Den Vetten Os.

Niet alleen gaan rijden, zei ze. Niet alleen op die donkere wegen in de Ardennen, ze rijden daar gelijk gekken.

Alleen rijden was ik ook niet van plan. Angst is soms een goede raadgever. Niet voor de afstand, niet voor het fietsen, niet voor het donker. Wel voor het materiaal. Hoe lang branden mijn lampjes? Wanneer moet ik de gps opladen? Wat met materiaalpech? Ik kan hoogstens een lekke band herstellen. Groener dan de groenste boom uit de Hoge Venen ben ik.

Ik volg. Veel meer kan ik gewoonlijk niet doen tijdens de eerste uren van een tocht. Ik ben een prutsrenner. De gemiddelde A-groep van een wielertoeristenclub, en als ik eerlijk ben zelfs de B-groep, rijdt me op haar zondagochtendritje moeiteloos uit de wielen. Renderen doe ik maar wanneer de tocht lang is, langer dan de gemiddelde wielertoeristenclub lief is. Een prutsrenner ben ik, maar als randonneur maak ik stappen.

Het verschil tussen wielertoeristen en randonneurs is, denk ik, dat randonneurs in de eerste plaats van fietsen houden. Wielertoeristen houden vooral van zichzelf, of minstens van de idee van zichzelf op een racefiets.

De samenstelling van ons groepje wisselt wat maar tegen het eerste controlepunt, aan de voet van de Muur van Hoei na 71 kilometer, vallen we in plooi. Met vier zullen we de Ardennen doorkruisen. Ik neem koffie, cola, een brownie en een foto van mijn zanderige benen. We zijn de Maas over, hier wachten ons bossen, heuvels en leegte.

In Rochefort is er mogelijkheid tot frieten. Even twijfel in de rangen. We kunnen ook de lange klim naar Saint-Hubert eerst afwerken en daar pizza eten. Slecht idee, zo denk ik. Te vaak sloeg ik op fiets- en stapreizen eetplekjes over en zag me door ongelukkig toeval genoodzaakt tot anderhalve dag reizen zonder voedsel. De frieten smaken.

Tijdens de klim breken ze me op. Ons groepje spat uiteen, ik haak af. Koud en warm zweet stromen van mijn gelaat, de mayonaise werkt zich opnieuw naar boven. Ik zwalp.

Geuren die je hebt geweten
Alles kan je nu vergeten
Op de trappers wieg je heen en weer
Zo te sterven in het zadel met je benen van papier.**

Toen ik nog tegen de Pyreneeën woonde, ben ik vaker gestorven bergop dan me lief is. Ik herinner me beklimmingen van Pla d’Adet, een rotklim, waar ik zelfs slalommend nauwelijks vooruit geraakte, ik herinner me liggen in de graskant halverwege de Peyresourde, een hongerklop even voor de top van de Aubisque.

Het schemert steeds dieper. De drie rode lampjes voor me komen opnieuw dichter. Ze wachten. Ik schakel groter en maak tempo. Met vier hebben we een faar ter waarde van de verlichting van een stevige pikdorser. We gaan in duo’s rijden met enkele honderden meters afstand. Het gaat in een rotvaart richting Franse grens, die we net niet oversteken want we keren aan de abdij van Orval.

Karel houdt het controlepunt open. Ik kijk op mijn gps. Het is stipt middernacht. Op mijn telefoon download ik het tweede deel van de gps-route, die ik meteen naar het toestel verzend. Voor de terugtocht ben ik niet langer afhankelijk van mijn compagnons. Ik kan mijn deel van het kopwerk gaan doen. We nemen een colaatje aan, stempelen de controlekaart af en een kwartiertje later gaan we opnieuw op pad.

Geniet ervan en zorg goed voor elkaar, zo geeft Karel ons mee. Held.

Het donker rolt zwart en zwaar over ons heen en de temperaturen dalen. Ik rijd nog steeds in korte mouwtjes. Ik ben geen koulijder, nooit geweest.

We stoppen aan een nachtwinkel tegenover een café waar het, als ik de muziek en kledingstijl mag geloven, bijna zomer 2003 is. Nu gaat het naar Paliseul, waar we aan de kerk een naam moeten ontcijferen op het oorlogsmonument ter controle dat we effectief de route volgen. Ik verbaas me over verlichte woonkamers, mensen die een gat in de nacht televisie kijken of domweg op de bank in slaap vielen.

In Paliseul doe ik een vestje aan want de temperaturen gaan stiekem richting vriespunt. Maar bij het ochtendgloren, ben ik allang bevroren, zoals Clouseau het ooit ongeveer vertolkte. We zijn de nacht doorgeraakt en spotten zonnestralen op de plek waar Gerd Von Rundtstedt in 1944 tot stilstand kwam. Voor het monument bij het buitenrijden van Celles zit een randonneur. Ook hij ziet er redelijk verslagen uit.

We zijn ruim driehonderd kilometer ver. Dit is nu officieel mijn langste rit ooit en ik vier met een stokbrood met kaas en boter en een mokka-éclair aan de eerste geopende bakkerij die we tegenkomen. Het leuke van BRM’s rijden is dat, hoe ver en diep je ook in de tocht zit, je toch steeds weer andere randonneurs tegenkomt. We zitten lang aan de bakkerij. We wachten op zij die, in tegenstelling tot mezelf, slechtere benen kregen doorheen de nacht.

We steken opnieuw de Maas over in Namêche. Het is droog, de buienradar heeft ons eens te meer liggen gehad. Ik rijd opnieuw in korte mouwtjes. Wolken kleuren de hemel bij. Het zou wreed grappig zijn mocht het op de terugweg nog eventjes regenen, zo denk ik terwijl we Eghezée en Jodoigne passeren richting Hoegaarden. In Opvelp, zoals het op de heenweg in Neervelp even regende, zo denk ik. En mijn wens wordt verhoord, hoewel minder druppels uit de hemel vallen dan ik zweet heb gelaten in het afgelopen etmaal.

Karel is nog uitgereden en begeleidt ons het laatste stukje naar Leuven, over kasseien en een stukje veldweg. Om 10u57 draaien we de Broekstraat op. Op de frigo thuis hangt een briefje waarop ik schreef om 11u opnieuw In Den Vetten Os te zijn. Het zal op de laatste stoplichten aankomen of we dat halen – het wordt 11u01. Ik stop de route op mijn gps. Eenentwintig uur geleden vertrokken we op deze plek. Op de teller staan 405 kilometers, ruim 4700 hoogtemeters en een rittijd van 17u15.

Ik drink een biertje en een cola en verlaat café In Den Vetten Os. Ik fiets langs de Minderbroederstraat, die op het WK-parcours lag, aan de Kapel van de Zwarte Zusters draai ik de Karmelietenberg op. Door de Leuvense begraafplaats, waar ik laatst per ongeluk de snelste strava-tijd fietste – het was rotweer, ik was gehaast en er was geen levende ziel te bespeuren – trap ik huiswaarts. Ik wil in de zetel liggen maar een peuter beslist daar anders over. Het is middag. Nog negen uur en ik mag gaan slapen. Mijn leven is een doorlopende beproeving. Een ander leven zou belachelijk zijn.

* Het is bij Koninklijk Besluit verboden een stuk over fietsen te schrijven zonder te verwijzen naar De renner van Tim Krabbé. Bij deze is mijn schuld ingelost. (Ja, ook na deze eerste paragraaf heb ik wat gepikt.)
** Vrij naar Verdronken vlinder van Boudewijn De Groot

Een aderlating voor sluipend gif

In november reageer ik op Twitter in een draadje op het @belgiumers-account. Dat account wordt die week bemand door @lodecossaer, een medewerker van de universiteit van Leuven, die antwoordt het @belgiumers-account niet te gebruiken voor een discussie met mij. Hij verplaatst de discussie naar zijn eigen account, een “safe haven” aangezien ik door hem ben geblockt.

Een block op twitter houdt in dat je tweets van een persoon niet kan zien en er ook niet op kan reageren. Je kan dat omzeilen door een tweede, anoniem account te gebruiken. Actieve twitteraars gebruiken dat vaak om zaken te lezen die ze niet mogen lezen. Ik ook, hoewel ik bij mijn weten op Twitter enkel door Lode wordt geblockt.

Ik kan daar een lang verhaal van maken maar kort komt het hier op neer: Lode wil voortdurend met linkse mensen in discussie gaan maar kan er niet tegen wanneer ze dit effectief doen. Eigenlijk accepteert hij maar twee antwoorden op zijn tweets. Eén: Lode, je bent geniaal en hier zijn extra claims om je bewering te staven. Twee: Lode, je hebt me het licht doen zien en vanaf heden volg ik alles wat je zegt. Mensen die een ander antwoord formuleren worden genegeerd, uitgelachen, uitgescholden, geblockeerd. Waarna hij gewoon voortgaat alsof nooit iets is gebeurd. Ik was dus al een tijdje in de laatste fase.

Lode gebruikt op zijn persoonlijke account een screenshot van één van mijn vier tweets maar verwijdert de context – dus geen verwijzing naar @belgiumers, naar mij of naar de drie andere tweets. Ik vind dat onfatsoenlijk. Het zijn mijn woorden, ik wil niet dat die anoniem worden misbruikt. Aangezien ik hem via Twitter niet kan bereiken vanwege dat block, besluit ik een mailtje te sturen naar zijn werkadres. Mijn vraag: verwijder je tweet. Je geeft me immers niet de mogelijkheid me te verdedigen en dat is onfair. We mailen wat over en weer maar komen niet tot een vergelijk.

Lode besluit een stap verder te gaan. Hij tweet op zijn persoonlijke account dat mensen hem op zijn werkadres mailen om een twitterdiscussie uit te vechten. Opnieuw geen context. De reacties op zijn tweet zijn vernietigend voor mij, hoewel reageerders niet weten dat het over mij gaat en in welke context de mail is gestuurd.

Ik voel me vreselijk. Ik wis mijn vier tweets naar het @belgiumers-account. Uit woede schrijf ik een blog om de context toe te lichten. Deze blog tweet ik naar iedereen die reageerde op Lodes tweet over het mailtje. Ik laat de blog twee uur staan. Ik krijg schouderklopjes van enkele van mijn volgers. De reageerders op Lodes tweet zwijgen. De stress heeft een fysieke uitwerking. Mijn hart klopt roekeloos. Ik werk mijn woede uit op de zetel. Ik roep.

Ik besluit mij terug te trekken. Ik haal mijn blogpost offline. Ik wis mijn twitter-account. Ten slotte mail ik naar Lode. In het verleden gaf hij vaak op Twitter aan te worstelen met zijn mentale gezondheid. De avond van onze discussie meldt hij op Twitter een angstaanval. Ik denk dat nu beter te begrijpen: de emotionele rollercoaster die ik een etmaal onderging vanwege vier onnozele tweets, is moordend. Ik vraag of hij okee is, wens hem emotionele steun toe. En ik vraag hem mij met rust te laten.

Dat doet Lode niet. Hij stuurt een laatste mail. Die kan ik enkel lezen als bewust natrappen. Er is geen empathie. Geen enkele verwijzing naar zijn aandeel in de escalatie. En vooral: geen gevolg. De tweet die ik vroeg te verwijderen, staat er nog steeds. Steun voor mijn mentale toestand blijft achterwege.

Ik dacht dat ik na een paar dagen mijn blog weer online zou zetten, mijn Twitter-account opnieuw activeren en voortgaan. Ik plande een langdradig essay waarin ik uit de doeken doe waarom sociale media niet het democratische publieke forum zijn geworden dat zorgt voor een gezonder publiek debat, aan de hand van mijn aanvaringen met een populair account. Ik schreef het niet. En ik zal het nooit schrijven.

Toch spookt deze ervaring in mijn brein. Dat zal ze blijven doen. Nog steeds overvallen mij momenten van ziedende woede. Er zijn vlagen waarin ik hele websites zou willen maken vol screenshots van de vuilbekkerij, de scheldpartijen, de arrogantie, … Waarin ik elke tweet van een onderbouwd weerwoord voorzie – aan de lezer het oordeel. Maar waarom in godsnaam? En waar zou ik de tijd vinden?

Jaren geleden botste ik in Mechelen op een man op een elektrische plooifiets. Het was een donkere ochtend, hij reed te snel tegen de richting op een smal fietspad, ik lette niet op en botste recht op hem. Straal negeerde hij mijn excuses, mijn bezorgdheid, mijn poging tot gesprek. Het was een pijnlijke val, voor allebei, maar de weigering tot gesprek was pijnlijker. Wekenlang analyseerde ik wat er gebeurd was, ik ging op google maps de plek bestuderen, bestookte mijn vrouw met vragen en bedenkingen, tot ze het kotsbeu werd.

“Je bent gewoon op een eikel gebotst. Niets meer. Hou op.” En misschien is dat de enige waarheid. Ik ben gewoon op een eikel gebotst. Maar tot op de dag van vandaag kan ik nog steeds niet door het centrum van Mechelen fietsen. Net zoals ik ruim drie maanden van het interactieve deel van internet wegbleef.

Marktconforme oplossingen

Twitter. Altijd maar weer die prikkelende denkers met hun ideeën die in steriele en vacuümgetrokken werelden vast wereldverbeterend zouden zijn. Nieuw op de lijst: de marktconforme oplossing voor het lerarentekort. Lees: als er tekorten zijn voor vakken, laat de markt spelen. Betaal wiskundeleraars meer dan LO-leraars indien je er onvoldoende hebt van de eerste en teveel van de tweede.

Prikkelend zeg. Maar laten we eens kijken welke vragen we moeten stellen voor we dat in de praktijk brengen. Het onderwijs is namelijk geen steriele en vacuümgetrokken omgeving. Het zou zomaar kunnen dat een simpele oplossing te simpel is.

Want wie ga je meer betalen? De instromende wiskundeleraars of ook alle wiskundeleraars die al jaren in het vak staan? En enkel leraars in scholen waar er tekorten zijn? En hoe vermijd je dan een carroussel van leraars die van vak veranderen, of van school veranderen, in de jacht op de extra verloning? Voor je het weet, krijg je andere tekorten en moet je ook daar weer extra verloning voorzien.

En hoe lang ga je meer betalen? Voor eeuwig en altijd? Of tot het probleem is opgelost? En waarom zouden instromers blijven wanneer plots een deel van hun loon wordt afgenomen? Met andere woorden: hoe kan een verschil in verloning een duurzame oplossing bieden voor het probleem?

En hoe zit dat met de samenwerking in de onderwijsteams? Elke leerkracht weet dat onderwijs meer vraagt dan enkel je lessen geven. Moet ik als klastitularis niet net meer verdienen dan de wiskundeleerkracht die geen titularis is? Moet het niet in de eerste plaats de beter betaalde leerkracht zijn die zijn nek uitsteekt tijdens teamvergaderingen, pedagogische studiedagen, vakvergaderingen, oudercontacten?

Of om het wat concreter te maken: hoe zou dit marktconforme verschil cultureel vallen in de lerarenkamer, die vaker wel dan geen verzuurde bodem durft te zijn? Zou het samenwerking bevorderen of net een reden zijn om elkaar wat vaker een stok in de wielen te steken?

En wat met de vakbonden? De onderwijskoepels? Je kan uiteraard zeggen dat deze organisaties niets te neuten hebben, of dat ze markttechnisch beter niet zouden bestaan, maar de realiteit is dat zij bestaande en relevante actoren zijn. Waar het onderwijs op zit te wachten, met al haar tekorten, is uiteraard niet dat je deze actoren extra uit hun kot lokt.

Dus ja. Marktconforme verloning. Prikkelend idee zeg. Maar leg me eens uit wat je met deze, en ongetwijfeld nog een hele hoop andere bedenkingen gaat aanvangen. Het hoeft niet per se in 280 tekens. Kwestie van niet zomaar de simpele uit te hangen.

Ardennen

Stinkend als een os legde ik mij aan het station van Esneux. Schoenen uit, voeten op tentje, hoofd op de rugzak. Fucking hell, dacht ik. Eenenveertig jaar en je ligt hier te ruften alsof je half zo oud bent. Zesendertig uur eerder was ik fris gewassen van de trein gestapt in Angleur, langs de Maas is dat geen vijftien kilometer.

Dat is niet wat we deden, vijftien kilometer. Het waren er eerder zestig of zo. Halverwege die eerste dag waren we in Esneux, te laat en te vroeg om iets te eten. Bovendien dacht ik dat het niet Esneux was maar het dorp eerder. Dat Esneux de volgende stop zou zijn, dat we er voor een vroege avondmaaltijd konden stoppen.

We volgden de wit-met-rode markeringen, zoals we die de afgelopen jaren al honderden kilometers volgden op onze loop- en wandeltochten. Dat wil zeggen: ik volg. Soms vraag ik het aan hem maar na twee kruispunten zijn we sowieso de weg kwijt. Hij doet het ook niet graag, voor me lopen. Liever stapt hij achter me, steeds verder, tot hij plots een inhaalbeweging maakt.

We zeggen vaak kwartieren lang niets. Tot hij een van zijn standaardzinnetjes opwerpt. Tof dat je dit wil doen. Ja, ik vind het leuk. Ja, tof.

Veel dingen vertelt hij steeds opnieuw. Of ik weet dat hij nu bokst – dat weet ik. Tien keer op een dag zegt hij dat. En dat hij het tof vindt, zo samen wandelen. Maar wat vindt hij daar dan tof aan? Voor mij is het iets wat ik nodig heb. Is dat voor hem ook zo?

Soms komen de verhalen. Over hoe zijn broer hem wiet gaf toen hij twaalf was. Over hoe je speed snuift of inspuit. De details die hij onder woorden brengt. De namen van medicatie, van voedingssupplementen, van illegale spierversterkers. Hun bijwerkingen. Hoe hij dat allemaal weet, vraag ik me af. En dan weer dat hij bokst. Sinds een paar maanden. Ah, dan ben je gevaarlijk nu, zeg ik. Neenee. Nee, niet gevaarlijk. Tien keer op een dag.

Op een af andere manier had ik ook een splitsing gemist. Eerst dacht ik nog dat we op een variant zaten van de GR57. Dat het toch verder dan vijfentwintig kilometer zou worden, zei ik. Het was heet. Het duurde twee uur voor ik besefte dat we niet op een variant zaten, niet op een extra lus, maar op een geheel andere route. Naar ergens waar ik het ook niet ken.

We zaten zonder water. Stapten voort. Hij ging slenteren. Aan een kerkhof stopte ik voor water. Drink, zei ik. Rook. Als je wil roken, doe het nu. Dadelijk zitten we weer in het bos en mag het niet. Te warm. Te droog.

De vermoeidheid was genadeloos. Op mijn telefoon zocht ik de bewoonde wereld. Voor ons is dat de dichtstbijzijnde frituur. Vijfeneenhalve kilometer. Het was intussen zes uur geworden. We stapten in een trek, het laatste stukje naast een vreselijk drukke baan. We stopten bij de eerste supermarkt, deden inkopen voor het ontbijt. Dan naar de frituur.

Die was er niet.

We liepen naar een bord waarop stond Brasserie Ouverte. De brasserie was gesloten. We zaten op het terras, aten ons ontbijt. Er stonden camera’s op het terras. Hij vertelde over hoe hij met zijn broer met de politie in aanraking kwam toen ze jong waren, dat hij in tegenstelling tot zijn broer nooit in de gevangenis was beland. Wel in instellingen, psychiatrische klinieken. Dat soort dingen. Hoe het daar werkt, wat de regels zijn. Ons ontbijt was op. Met een satellietkaart zocht ik naar een kampplaats. Dat werd het veld achter de kerk van Nandrin.

Twee jaar geleden hadden we midden in een hittegolf onze tent aan de Ourthe gezet in Barvaux. Er was een onweer losgebarsten en ik had hem niet in de tent gevonden. Hij zat tien meter verderop in de regen, had te veel stress om samen in een tent te slapen. Nu hadden we aparte tenten, beide van mij. Ik zette ze beide op achter de kerk van Nandrin nadat ik toestemming kreeg van de buurvrouw. Het dochtertje was komen praten. Wat ze had gezegd, wilde hij weten, want hij verstaat geen blad Frans.

Als een blok had hij geslapen, de hele nacht door. Doodop. We gingen opnieuw naar Esneux, volgden min of meer dezelfde route in omgekeerde richting. Eerst langs een verlaten festivalterrein waar de toiletten nog stonden, daarna naar de supermarkt voor ontbijt. Eerst gratis koffie aan de automaat in de winkel. Daarna op pad. Dat we moesten doorstappen, de frituur in Esneux zou om twee uur dicht gaan.

We haalden het niet. Steendood was hij, de hitte sloeg in zijn benen. Ik gaf het op. Desnoods eten we in Leuven frieten, zei ik, of in Luik. We zien wel. Vijf minuten te laat waren we, maar de pitabar was nog open. Dus aten we pita.

Twee jaar geleden wasten we ons in een zijtak van de Ourthe in Bomal voor we de trein namen, maar dat was in Esneux niet mogelijk. Het water stond te laag, de rivier was er moeilijker bereikbaar. Dus lagen we, ruftend als twee ossen, uitgeteld op het perron te wachten op de trein naar Luik.

Tof, zei hij. Moeten we volgend jaar opnieuw doen. En dat doen we ook. Vrijwilligerswerk heet het, en ik zou erg lang moeten nadenken over wat het nu eigenlijk betekent, voor mij en voor hem. Dat volgens mijn dochter hij mijn enige vriend is, dat schijnt het te betekenen. En dat komt dichter bij de waarheid dan wat vrijwilligerswerk doet vermoeden, dat we gewoon twee maten zijn die graag als twee slecht voorbereide, ruftende ossen door de Ardennen hossen.

Een leven vol levens

Maar hoor dat stukje lamstraal toch eens tetteren, zo dacht ik. Op het scherm links beneden zag ik mezelf, met die handen van mij en wat ze in godsnaam uitsteken wanneer ik iets uitleg in een taal die ik niet graag spreek, of zelfs in de talen die ik wel met plezier bezig. Bij de les blijven, dacht ik. Dit ís iets. Probeer jezelf te overtuigen dat dit iets is, dat dit belangrijk is.

En toen floepte ik er toch weer wat uit. Sint-Antoniusberg. For the cycling fans, that is the hill where Julian Alaphilippe won the World Championships. Ik keek naar de glazen wanden, waarachter de simultaanvertalers zwoegden op mijn Flenglish. Simultaanvertalers, zeg. Alsof het niks kost.

Ik probeerde uit te leggen waarom lageloonwerkers bewust kiezen om als zelfstandige voor een platform als Deliveroo te werken. Omdat lage lonen niet het grootste probleem zijn van lageloonwerkers. Wat wel? Korte contracten, deeltijds werk, flexibele uurroosters. In gedachten liep ik weer op schoenen met stalen tippen van een of ander interimkantoor. Een contractje te tekenen voor de drie uurtjes die ik daags voordien mocht werken, in de namiddag nog geregeld. Die gruwelijk lange weg van Auch naar huis, die enkel gruwelijk was omdat Auch de folterkamer van onze administratieve persona was in Frankrijk.

Wèèt ik het eigenlijk nog? Wil ik nog steeds in Frankrijk wonen of wil ik vooral graag iemand zijn die in Frankrijk woont?

Terwijl ik kwebbelde over McFlurry’s en Big Mac Menu’s en waarom het verschil tussen beide net zo belangrijk is voor de Europese wetgeving als de criteria waarop de Belgische Arbeidsrechtbank zich baseerde, rook ik weer de jongen die, niet eens tien jaar voordat hij mocht gaan snateren in het Europees Parlement over zijn tweede boek, bij thuiskomst drie keer douchte en nog steeds de lijkgeur van vers geslachte eenden en parrafine droeg.

En hoe dat kan. Al die levens, al dat leven dat zich in mijn leven opstapelt. Als de stapels en stapels dozen die ik in een niet eens zo gek ver verleden plooide voor de kost. Dat ik zowel de man ben die wordt uitgenodigd door ernstige mensen om te spreken over zijn boeken als de man die werd geweigerd voor een postronde, wegens vermoedelijk niet bekwaam. Dat ik twee weken geleden met een badge als spreker door het Europees Parlement werd geleid en vorige week iemand van de kuisploeg, in onderaanneming uiteraard, probeerde te overtuigen me binnen te laten in een achterafingang van het stadskantoor om de dozen op te halen die ik als fietskoerier over de stad diende te verspreiden.

Al die levens die vechten om mijn leven. Dat ik me een bedrieger voel wanneer ik een dag werk als pakjesbezorger, en een bedrieger wanneer ik lesgeef, en een bedrieger wanneer ik een interview geef, en een bedrieger wanneer ik mijn zelfbedrog zo bedrieglijk neerklad op dit stukje bits en bytes.

Ik was niet gebleven in het Parlement na mijn toespraak. Netwerken had ik gemoeten. Voor hetzelfde geld geef je volgend jaar een gastles bij de aardige professor van Oxford of verhuis je naar Madrid om medewerker te worden van de aardige man van Just Eat. Want zo werkt het.

Maar ik wilde gewoon thuis zijn, op het bankje in de tuin zitten, een corona drinken en luisteren naar de werkbesognes van mijn vrouw.

Dus stond ik terug op het Luxemburgplein. Ik moest me nog ergens zien om te kleden, keek of er een geschikte boom stond om even naakt achter te staan. Niet. Dus ging ik een parkeergarage binnen, vroeg aan de bewaker of ik even in een hoekje mocht. Toonde mijn id-kaart, mijn badge van het Europees Parlement. Ik kreeg een betonnen hoekje toegewezen, trok mijn kleren uit, fietskleren aan. Zwaaide de Belliardstraat in, langs het Jubelpark en zo richting Tervuren de stad uit.

En hoe het zou lukken om niet te geloven dat het een uit de hand gelopen grap is, dat levensleven van mij. Wat het ook is.

“Wat staat er eigenlijk op je rechterpols?” Na de vergaderdag, ik zat al weer in mijn fietskleren, belandde ik toch opnieuw aan tafel met twee collega’s die ik erg hoog heb zitten en een glas rosé. Ik toonde de tatoeage. “Life is a joke,” zei ik. Toen viel even een stilte. En mijn god, wat had ik nood aan even die stilte.

De Snelle Duif

Omdat er geen plaats meer was in de geleende auto, zou ik naar Pelt fietsen. Ik zou vroeg gaan maar dat viel in het water omdat een jaar slaapdeprivatie stilaan mijn routines als ochtendmens begint te doorkruisen. Na zeven uur pas wakker worden, dat is jaren geleden. Ook stond er nog een gigantische afwas die niet kon wachten.

Negen uur voorbij dus. Nog voor Wezemaal begon het te druppelen. Uiteraard. Vorige keer was het even voorbij Aarschot beginnen druppelen – mijn favoriete fietsroute Leuven – Pelt gaat naar Aarschot, dan het fietspad tot in Herentals, daar rechtstreeks het kanaal Bocholt-Herentals op en zo bollen tot in Pelt. Twintig kilometer langer dan de kortste route langs steenweg-Vlaanderen en elke seconde omweg waard.

Het druppelen zette zich niet door. Dat was vorige keer anders. Toen reed ik tot in Pelt onder een wolk, zwierde een boek af voor mijn moeder haar moederdag, at twee boterhammen met kaas en mosterd en fietste opnieuw naar Leuven.

In Morkhoven, waar ik vorige keer de buienradar checkte die voorspelde dat ik voortdurend net na de regen zou fietsen – hij zat er een half uurtje naast, vloog een vette duif op. Ze boog voor mijn wielen af, ging te traag en het scheelde decimeters of ze was me ongebraden in de mond gefladderd.

Duiven zijn traag, zeker van die dikke stadsduiven. Aan het stadspark van Antwerpen sneuvelde er laatst eentje onder mijn wielen. Gruwelijk maar voor de genetische evolutie van de soort schijnt het een goede ingreep te zijn. Variatie, selectie, erfelijkheid. Je kent die shizzle.

Vijftig meter verder, en dat verzin ik niet want als ik het zou verzinnen zou het volstrekt ongeloofwaardig zijn, zoals dat ei in de wachtzaal in die column van Martin Bril, maar dus vijftig meter verder stond een wegwijzer naar café De Snelle Duif. Alsof ze er godverdomme hierboven mee aan het lachen zijn.

De Snelle Duif in Morkhoven was overigens een naam die me bekend voorkwam. Het is de vertrekplaats voor de Brevet Randonneur Mondiale (BRM) van Herentals. BRM is mijn thuiskomst in het Belgische fietsen. Eentje kon ik nog maar meerijden, vooral omdat ze in weekends worden gereden en Lin vrijwel elk weekend werkt, maar daar moeten er meer bij.

Maar daar zal ik volgende keer nog wel eens iets over schrijven. Als mijn fiets en ikzelf de trage en vette duiven overleven, that is.

Dit is niet niet-prettig

Iets wat niet niet-prettig is, is dat dan automatisch prettig? Dat vroeg ik me gisterenochtend af in Mechelen. Ik fietste naar Antwerpen, nam voor het eerst het nieuwe stuk fietspad van de Vaart naar Nekkerspoel. Het sneeuwde. Mijn voeten waren al in Kampenhout doorweekt geraakt. Waterdicht zijn mijn waterdichte schoenen al lang niet meer.

Je weet wat dan komt. De wind koelt je voeten af. In het begin beweeg je je tenen nog geregeld en sopt het lauwe water in je schoen. Het geeft een wetsuitgevoel: je lichaamswarmte warmt het koude regenwater op. Maar dat duurt niet.

Ik wilde een foto trekken aan het paneel in Hove, waarop in het groot staat: Thank God it’s rideday! Dat had ik ook maandag gedaan tijdens mijn rit naar de school. Die foto had ik op Twitter gezet, vooral voor die paar volgers van me die wisten dat ik op zondag de BRM – Brevet Randonneurs Mondiaux – Leuven-Dinant-Leuven had gefietst. In korte mouwen, want mooi weer. Ik wilde dus opnieuw een foto trekken en tweeten maar mijn handen waren te bevroren om mijn telefoon op te vissen uit mijn achterzak.

Aan de school ging ik niet naar de fietsparking omdat ik wist dat mijn handen evenmin mijn parkingkaart uit mijn achterzak zouden vissen. Dus door de voordeur en via een trapje naar de douches. Ik kreeg mijn rugzak met moeite los, de kousen kleefden aan mijn doodse voeten. Het pijnlijkste moment is wanneer je onder een lauwe douche kruipt en je uitsteeksels – handen en voeten – opnieuw warmte voelen.

Maar ik had me dus afgevraagd of ik het nu prettig vond of niet-prettig om in hondenweer vijftig kilometer naar het werk te fietsen. Ik vond het niet niet-prettig. Vijfentwintig kilometer lang was ik halvelings in de weer met het ontcijferen van nut en onnut van binaire codes in de leefwereld. Dat is wat je doet wanneer je veel en ver fietst. Je brein neemt je mee in de meest nutteloze uithoeken van je denken.

Het was niet niet-prettig. Dus prettig?

Na vier uur luisteren naar studentenpresentaties en discussie over de evaluatie van deze prestaties, trok ik opnieuw naar de douchekamer. Helemaal droog waren ze niet, mijn schoenen en fietsbroek. Ik trok ze opnieuw aan, stapte op mijn fiets en reed huiswaarts. Het begon weer lichtjes te sneeuwen. De wind stond op de flank. Mijn voeten gingen weer in kleum. Alles was niet niet-prettig en twee uur later was ik thuis. Het is nog altijd beter dan de trein, die op zijn beurt beter is dan de wagen. Het beste is uiteraard nooit meer moeten werken maar dat is niet-haalbaar.

Kipkap van het liberalisme

In D’autres vies que la mienne vertelt Emmanuel Carrère ondermeer het verhaal van de rechters van Vienne, die de wet probeerden dermate toe te passen dat arme sukkelaars niet steeds slachtoffer zijn van de onleesbare contracten die ze her en der tekenen bij kredietmaatschappijen. Ik lees Carrère graag, ik begon hem te lezen door boeken uit de bib in Tarbes op te pikken. Ik ben hem in het Frans blijven lezen, omdat ik graag in het Frans lees en omdat ik niet weet of ik Carrère in het Nederlands even graag zou lezen.

Wat Carrère doet, is via zijn personages – het is non-fictie maar voor het gemak beschouw ik ze als personages – kipkap maken van bepaalde liberale ideeën die je zou kunnen samenvatten onder de noemer voluntarisme: de idee dat mensen vrije individuen zijn die op vrijwillige basis contracten aangaan en geen overheid nodig hebben om hen te beschermen. Het probleem met de zuivere logica van het liberalisme – of neoliberalisme, om een beetje pedant te doen – is dat contracten niet symmetrisch zijn. In de regel worden ze gesloten vanuit een machtsverschil en bestendigen dat.

Een passage is te mooi om te laten liggen. “Soyez partiaux. Pour maintenir la balance entre le fort et le faible, entre le riche et le pauvre qui ne pèsent pas le même poids, faites-la pencher plus fort d’un côté.” Kies altijd de kant van de minst sterke. De idee wordt uitgebreid uitgewerkt in een lange paragraaf, tot het vervelende toe, met details van rechtszaken waarin arme sukkelaars jaren schulden afbetalen om vast te stellen dat hun hebben en houden niet eens de woekerintresten dekken. Indignez-vous. Het staat er niet letterlijk, maar dat is de boodschap. Om te eindigen met een prachtig idee van gelijkwaardigheid: als het gaat tussen een dief en een bestolene, wees niet bang om de bestolene te straffen.

Een warm bad van vakbekwaamheid

Twee jaar geleden nam ik de beslissing om in mijn vrije tijd als fietskoerier te gaan werken. Het was een vaag idee maar om mezelf wat moed in te pompen, besloot ik er een onderzoeksproject aan te koppelen. Ik zou undercover als fietskoerier gaan werken voor Deliveroo. Om te weten waar in het midden de job valt, tussen de droombaan die het is volgens sommige arbeidsmarktspecialisten en de slavenarbeid die het is volgens andere arbeidsmarktspecialisten. Om daar dan over te schrijven. Omdat, volgens mij, de directe ervaring een broodnodige aanvulling is op al het onderzoek dat gebaseerd is op surveys, interviews en meta-analyses. Je legt lagen bloot die onontgonnen zijn.

Eigenlijk wilde ik vooral fietskoerier zijn. De rest was een bunker om in te schuilen bij kritiek.

Afgelopen week ontplofte dat project als een splinterbom in een metrostel. Slechte metafoor, I know. Het boek kwam uit in de week dat Deliveroo zich moet verantwoorden voor de Arbeidsrechtbank in Brussel. En werd zo hot news, en ik erbij. Ik dook in een warm bad van vakbekwaamheid, van gedreven journalisten die mij de citaten ontlokten die ze nodig hebben, sprekende beelden van me maakten, lagen toevoegden aan mijn boek.

De timing van Homo Deliveroo was perfect en minder zorgvuldig gepland dan het lijkt. De hele zomer, die verdacht leek op een herfst, had ik dagelijks enkele uren geschreven. Het was een opgave. Het materiaal was dan ook eindeloos: bijna twee jaar had ik elke dag wel iets toegevoegd aan mijn map: tweets, artikels, dagboekfragmenten van eigen ritten, data-gegevens van mijn werkdagen – gereden kilometers en hoogtemeters, aantal ingelogde minuten, aantal gewerkte minuten, verloning, bonus en fooi, … Ik las filosofische, sociologische en economische basiswerken. Ik bekeek hele youtube-reeksen van en door aanhangers van het neoliberalisme. Ik ging wandelen in Brussel met student-onderzoekers die zich over het thema wilden buigen en op zoek waren naar een introductie. Ik zetelde in een klankbordgroep met vakbondslui, ambtenaren, onderzoekers die professioneel bezig zijn met precair werk. Ik laafde me aan inzichten en probeerde de mijne door te geven. Ik gaf en kreeg, precies zoals wijlen Jan Blommaert het beschreef.

Een eerste versie van het boek was vol, uitleggerig, met veel overbodig sarcasme, herhaling, oneindige referenties naar obscure en minder obscure werken. Half augustus was het klaar en na een telefoontje met de uitgeverij begon het inkoken. Tot de helft. Zo is blijkbaar het recept voor mijn boekenschrijverij: veel te veel ingrediënten, allemaal bij elkaar in een grote wokpan, inkoken tot de helft. Kleine redactieronde. Klaar.

Pas nadat de drukproef was afgeleverd, werd duidelijk dat de timing niet beter kon.

Het was uitgever Thomas Blommaert die wat media opbelde. Enkele hapten toe. Humo via de telefoon, in het kader van een groot stuk over de maaltijdkoeriers. Apache was de eerste waarmee ik anderhalf uur aan een tafeltje ging zitten op het terras van Muntpunt. Daarna belde ik met Het Nieuwsblad. Tussendoor regelde mijn vrouw via de moeder van een klasvriendinnetje van Sam een snelle stand-up bij Radio 2. Voor De Morgen sprak ik met Sue Somers af, die ook na het verschijnen van Menselijke Grondstof een goed interview met me afnam. Ik nam korte video’s op met de mensen van Visie, sprak via Teams met een dame van Trends.

Maar het was Radio 2 dat werd opgemerkt. Een Nederlands radioprogramma waar ik in de loop van de komende periode eens mag komen tafelen.

Na vier uur les op woensdagvoormiddag had ik een resem gemiste oproepen. Ik koerste naar huis en ontving een cameraploeg van VTM Nieuws. Donderdagochtend voor de les fietste ik naar de VRT. Op de parking deed ik een snel radio-interview met RTBF. En français, pas de problème. Daarna passeerde ik in De Ochtend, nog steeds in fietstenue. Minder dan twee uur later stond ik voor de klas – doodop, slecht voorbereid, slechtgezind. Tussendoor probeerde ik artikels na te lezen en te valideren. Journalisten zijn vakmensen. Ik valideer. Corrigeren doe ik zelden.

Het was hels. De baby slaapt niet door, de kleuter evenmin en dus de mama en papa ook niet. De lessen liepen gewoon voort. Stapels papers die dringend van feedback voorzien moesten. Voorbereiden. Plannen en organiseren. Storm. En houd je maar recht.

Het was een boeiende, leerrijke en uitputtende week. Journalisten. Ik heb mogen ervaren hoe ze te werk gaan, hoe sommige op minieme tijd voldoende feeling ontwikkelen om een goed stuk af te leveren – Sonny van Radio 2; hoe sommige tijd en moeite nemen om echt inzicht te krijgen in wie je bent en wat je probeert te doen – Sue Somers, heldin! En dan dat beeld van Stefaan Temmerman erbij.

En alles daar tussenin. Journalisten weten waar ze naartoe willen, of moeten, en hoe ze je kunnen sturen. Ik heb me in de mate van het mogelijke laten meedrijven. Niet moeilijk doen, geen vervelende vragen stellen. Niet zeggen: dat gaan we niet doen. Journalisten kennen hun vak, niet ik. De resultaten van hun werk zijn verbluffend wanneer je dicht op het maakproces staat.

En nu hebben we in huis dus een gigantische knipselmap. Als dit mijn fifteen minutes waren, dan zal ik er altijd met een warm gevoel naar terugkijken. Maar ik ben ook gelukkig dat het badwater weer is afgekoeld, de telefoon is stilgevallen en zo ook ik. Een beetje. Denkend aan nieuwe projecten, dat wel. Een mens moet wat, met al die tijd en het weinige om handen.

De regel van 10 000

Laat me slapen. Nog even liggen. Hier, half op het voetpad van de Tervurenlaan aan Merode. Waar ik mijn hoofd leg, …

Ca va bien, monsieur?
Il faut appeler l’ambulance.
Monsieur. Vous allez bien, monsieur?

Nee, laat me even liggen. Even. Moe ben ik. Vreselijk moe. Laat me even liggen. Een minuutje. Ik wrik met mijn hand aan de bandjes van mijn rugzak. De taxichauffeur staat nu naast me.

Monsieur, on va appeler l’ambulance. Il faut vous controler. Votre santé.
Monsieur, on est quelle journée?

Een strikvraag, denk ik. Laat me nog even liggen. Het is de eerste schooldag, toch voor mij. Dat is een. Ik weet het niet. Ik zou het zonder de val ook niet weten. Of toch. Sam was thuis in de namiddag. Dat maakt het donderdag. Toch?

Jeudi. On est jeudi, non? Je ne sais pas. Mais je vais bien. J’ai eu pire. Il y 200 mêtres d’ici. A peine un an. Ou deux. Les dates. C’est pénible, les dates.

Mijn rugzak is los. Geen gescheurde kledij. Mijn schouder doet zeer. Mijn heup. De taxichauffeur wil nog steeds de ambulance bellen. Niet nodig. Laat mij even. Ademen. Zijn passagier is uitgestapt. Een oude, wat verwarde man. Die zijn deur opendeed. Net toen ik naast de taxi fietste, op de Tervurenlaan aan Merode.

Mais c’est quelle merde ici. Monsieur. Pourquoi passez-vous comme ça.
Monsieur, s’il vous plaît. De taxichauffeur tegen zijn cliënt. Die stopt met zeuren.

Traag reed ik. Het fietspad was versperd twintig meter verderop, door een witte auto. Daarom reed ik traag. En dan die deur. De taxi stond stil voor het rode licht, de deur ging open. Ik viel tegen een tijdelijk verkeersbord. Denk ik. Misschien ben ik er even niet bij geweest. Groggy. Ik weet het niet. Misschien wilden ze daarom de ambulance bellen.

Ik bekijk mijn fiets. Geen schade. De remgreep wat verplaatst, een klein scheurtje in het rubber van de remgreep.

Ne regardez pas votre vélo, monsieur. De taxichauffeur. Votre santé. C’est ça qui compte. Vous pouvez marcher? Vous avez des douleurs?

Ik kan stappen. Fietsen ook.

Je vous laisse mes coordonnées, monsieur. De taxichauffeur.
Ik stap rond. Gesp mijn rugzak weer aan. Een ongeduldige chauffeur achter de taxi, toeterend, gaat met gierende banden de trambedding over, richting Merode.

Elke 10 000 kilometer word ik aangereden of anderszins tegen de grond gewerkt. In mijn fietsleven is dat één keer per jaar. En meestal in Brussel. Onder de douche van de hogeschool was ik mijn wonden uit, ook dat is niet de eerste keer. Aan collega’s vraag ik wat dafalgan. Als je het van de school wil verkrijgen, moet je een hele papierwinkel door met geïnformeerde toestemmingen of wat dan ook. Dan liever koppijn.

Alcohol om te ontsmetten vind je tegenwoordig op elke tafelhoek. Dat dan weer wel.

Gezin met dochters

Het is vrijdagochtend, half zeven. We wandelen over de begraafplaats van Leuven. Het is te zeggen, ik stap met een stevige valies op mijn rug, zij fietst met twee kleine tassen. Om zeven uur moeten we inchecken in de kliniek in het centrum. De keizersnede is een dik uurtje later gepland. Over minder dan twee uur komt er een slotakkoord aan een opera in zeven bedrijven. Twee miskramen. Interlude waarin we geen kinderen meer wilden. Toch een schitterende dochter. Twee miskramen. Opnieuw een dochter.

Tien jaar van ons tienjarige huwelijk heeft de kinderwens haar deel van de mentale ruimte opgeëist, soms als een speelse pup, dan weer als een kittige poes. De ene keer spinde ze rustig in een hoekje bij de houtkachel, een volgende keer stootte ze driftig alle glazen omver. De kinderwens moeide zich met levenskeuzes en verhuizingen. Meer dan eens legde ze ons haar nukkige wil op.

Een keizersnede in Frankrijk is op een totaal andere manier precies hetzelfde als een keizersnede in België. Vier jaar geleden zag ik vanuit de kamer de bergen schitteren. Vrijdag keek ik uit over de stad waar ik elke hoek van ken. Vanuit de kamer zie ik twee gebouwen waar ik ooit werkte en een gebouw waar ik ooit woonde. Het weer was twee keer voortreffelijk: wat einde mei bracht, was zomaar half februari in Zuid-Frankrijk.

Toen had ik drie dagen vaderschapsverlof, daarna hing ik opnieuw vanbinnen stervend aan de telefoon van de klantendienst. Nu ben ik twee weken thuis. Het had langer gekund maar dan moest ik teveel examenwijzigingen doorvoeren.

Ik geef badjes en ververs pampers, loop rond om boertjes op te wekken. Mémoire musculaire – de spieren herinneren zich vrijwel alles. Het is als de afdaling van Hautacam: ook als je het jaren niet gedaan hebt, snijd je na een haarspeld of vijf de bochten weer scherp aan alsof je het wekelijks doet.

De zwangerschappen zijn een levensfase die ik met plezier achter me laat. De conversaties met de vrienden in het verre Zuiden maken duidelijk dat het niet met alles zo loopt in dit rare leven dat loopt en blijft lopen. Ik hoop dat het mij nog vaak voorbijholt en naar onvermoede zijpaden lokt, zolang deze toegankelijk zijn voor een gezin met dochters.

Stapvoets

Een keer of drie had ik nog wel kunnen bijpompen maar toen was het voorbij. Mijn band was onherstelbaar. Een kleine tien kilometer van huis was ik. Met binnenwegjes kon ik er vast nog anderhalve afknijpen.

Ik belde Lin. Die had geen oplossing. De cambio was niet beschikbaar en sowieso was het met bijna vijfendertig weken zwangerschap en een zeurende kleuter geen evidentie om een oude sukkelaar ergens in een veld op te pikken.

Ik besloot te stappen. Stappen is helemaal niet erg, ook niet als het met een fiets aan de hand moet. Twee jeeps-met-bakkie reden me voorbij. Ik dacht: eindelijk een buitenkansje om iets met hun bakkie te doen. Fiets erin, gestrande coureur erbij. Een wip en een vloek, zoals ze zeggen.

Door de stofwolk stapte ik voort. Mensen krijgen medelijden met je wanneer je met een fiets aan de hand langs de weg stapt. Ze zeggen niks.

Het is een gewoonte die ik me eveneens opnieuw heb aangemeten: niks zeggen. In Zuid-Frankrijk, waar een fietser in elk dorp de curiositeit is op de feestmaaltijden, was ik nooit een fietser gepasseerd zonder dag te zeggen. Op de Pyreneeëncols, eens de zomerse hordes onze wegen hadden verlaten, was het ook een gebonjour van voet tot top.

Nooit ben ik voorbij een fietser gereden met pech. Nooit is een fietser mij voorbij gereden met pech. Zelfs als je halverwege Hourquette gewoon even op een steen ging zitten om van het uitzicht of de rondlopende paarden te genieten. Tout va bien? Ouais, oui. Vous avez tout ce qu’il vous faut? Merci, bonne route.

En kijk eens naar de gieren. Daar is net eentje geland!

Op enkele honderden meters van huis spreken twee renners me aan. Of ik iets nodig heb. Nee dank u, ik ben dadelijk thuis. Fijne rit nog.

Het voorrecht te staken

Nog een stukje uit A la ligne. Over dat tijdelijke werknemers het niet kunnen riskeren om mee op te stappen in een door “Manu” Macron hartstochtelijk veroordeelde staking.

Je rêve d’être en grève
Comme lorsque j’avais un vrai boulot et que je ne risquais rien
Je rêve de pouvoir aller à la manif
[…]
J’aurais été si heureux d’être parmi ces “illetrés” que Macron conchie
De ceux que ne bossent pas pour se payer un costume mais une polaire Décathlon vu le froid dans lequel nous bossons
D’être de cette force collective et de se marrer sur les fainéants qu’il présume que nous sommes
Eh Manu
Tu ne viendras pas avec nous demain matin pousser un peu de carcasses qu’on rigole un peu

Le temps perdu

Maandenlang liep ik bij elk bezoek aan de bib van Leuven – gemaskerd, ontsmet en gehaast – even door de Franse boeken. Vorige week was hij eindelijk beschikbaar: A la ligne van Joseph Ponthus, een literatuurwetenschapper en sociaal werker die van Parijs naar Bretagne verhuisde voor de liefde en aan de bak moest als arbeider in fabrieken en slachthuizen. Herkenbaar, quoi?

Ik wikkelde me in een deken van heimwee en las, herlas. Ik lachte en huilde om de herkenbaarheid en het gemis van alles en de dingen die in een leven lopen zoals ze nooit moeten lopen.

Over drie kwartier moet ik tweemaal twee uur tegen een scherm babbelen en mijn hoofd staat al lang niet meer naar schrijven op dit onding maar deze wil ik u niet onthouden. Omdat het waar is. Herkenbaar is. Mooi geschreven is. En omdat ik alles mis, nog het meest de doffe ellende van de fabrieksarbeid.

Trente minutes
C’est tout dire
La pointeuse est évidemment avant ou après le vestiaire
Suivant que l’on quitte ou prenne son poste
C’est-à-dire
Au moins quatre minutes de perdues
En se changeant au plus vite
Le temps d’aller à la salle commune chercher un café
Les couloirs les escaliers que ne semblent jamais en finir
Le temps perdu
Cher Marcel je l’ai trouvé celui que tu recherchais
Viens à l’usine je te montrerai vite fait
Le temps perdu
Tu n’auras plus besoin d’en tartiner autant

C’est ce que c’est

“Het burgerlijk huwelijk is een coopertest: het duurt twaalf minuten en je wordt op schoolmeesterachtige wijze toegesproken. Aan het einde ben je blij dat het zo snel voorbij is gegaan en je weer gewoon op de speelplaats mag rondhangen.” God ja, wat slaat een mens die net getrouwd is en op het punt staat te verhuizen naar een gat in Zuid-Frankrijk zoal uit zijn botten. Dat is vandaag precies tien jaar geleden.

Dat ik op mijn tiende huwelijksverjaardag in een lokaal in Brussel achter een scherm zit om dertig geteisterde jonge mensen lastig te vallen met een online mondeling examen sociologie kan toen niet echt de bedoeling zijn geweest. Maar zoals dat in de politiek dan heet: het is wat het is. (C’est ce que c’est. En dan op z’n Antwerps uitgesproken. Sèskes sè. De sèskes, dat krijgt ge daarvan.)

Ik weet niet meer precies hoe ik me tien jaar huwelijk toen verbeeldde. Ingeburgerd en wel, misschien een job als deeltijds geschiedenisleraar op een plaatselijke school. Af en toe iets schrijven: wat artikels, een boek. Kinderen. Dat mochten er, zo herinner ik mij, best een serietje zijn. Tijd en ruimte, dat was toch het plan daar op het Franse platteland. Moest ik niet zo’n hekel hebben aan ironie, ik zou de ironie inzien van mijn huidige leven. Hoe moeilijk het was een kind op de wereld te zetten. Leven in een rijhuisje in de stad. Werken. Veel werken.

Het is zo gemakkelijk je vast te zetten in een goedbetaalde job, uren te kloppen met dingen die je niet eens tegen je goesting doet, en dan te zeggen: dit is hard werken. Ik werk hard. Terwijl ik me nog levendig herinner: thuiskomen van de fabriek en te moe zijn om een aardappel te schillen. Naar het callcenter rijden met de verslindende angst om weer telefoontjes te moeten beantwoorden. Wegkwijnen bij de idee dat je een job moet uitvoeren waartegen je niet bestand bent, waarvoor je niet beloond wordt.

Nee, druk leven hoor. En niet eens gescheiden, dus ik heb het kind – over enkele maanden de kinderen – gewoon elke week, naar een goede grap van Bert Gabriëls uit een van zijn shows. Hard werken, hoor. (Typ ik op mijn computer van het werk, tussen een paar examens in, elk half uur een paragraafje. In een verwarmd lokaal, koffie binnen handbereik.) Hard werken, en alle conservatieve ideeën over hoe andere mensen hun leven dan maar dienen te leiden daar bij. Nee, blij dat we niet in die val getrapt zijn.