In Den Vetten Os, Kapucijnenvoer Leuven, 6 mei 2023. Aangenaam, bewolkt weer. Ik pak mijn spullen, steek mijn controlekaart in het frametasje. Karel, een held, neemt het woord en geeft wat uitleg over de tocht die ons wacht. Op het terras kijken dagjesdrinkers ons toe. Niet-randonneurs. De leegheid van die levens schokt me.*
Overal staan fietsen gestald, tegen de muur en tegen tafels en tegen het windscherm van het terras. Geharde randonneurs hebben typische fietsen, in retro-uitvoering en met glimmende slijklappen rond de wielen. Ik zie bekende en onbekende gezichten, ik groet mensen, schud een hand.
– Benen?
– Dat zullen we over een kilometer of honderd weten.
Ik tik mijn gps aan, kies uit de routes. Leuven-Orval-Leuven. 405 kilometer. De fietsen worden in de hand genomen,de neuzen gaan in dezelfde richting. De koekoek kraait tweemaal, het peloton zet zich in gang. Via de ring naar de Naamsepoort, door de Broekstraat naar de Geldenaaksebaan, waar de eerste bescheiden klim van de dag wacht. Boven aan de expressweg splitst een nukkig verkeerslicht de groep in twee. De meeste renners zal ik niet meer terugzien.
In Neervelp regent het snoeihard gedurende negentig seconden. Opspattend modder kleeft aan mijn kuiten. Mijn gps geeft een foutmelding. Route te lang, kan geen punten meer laden. Ik blijf een bleu. Vorig jaar reed ik mijn eerste Brevet Randonneurs Mondiaux, een tocht van 200 kilometer naar en van Dinant. Ik had geen gps en zag me genoodzaakt aan te sluiten bij groepjes die te snel reden en af te zakken naar renners die te traag reden.
De volgende tocht reed ik met een nieuwe gps. Bij elke tocht kwam er een nieuw stuk materiaal. Frametassen, verlichting, een externe batterij om alle toestelletjes op te laden tijdens de tocht. Ik steel met mijn ogen en koop online wat anderen al lang hebben. Ik reed brevetten van 200 kilometer in volstrekte eenzaamheid en een eerste van 300 kilometer in het wiel van twee ervaren rotten. Een van hen wordt ook vannacht mijn compagnon de route.
Vannacht?
We vertrekken om twee uur in de namiddag en rijden dus een groot deel ’s nachts. Op de frigo hing ik een schema voor mijn vrouw met tussenstops en tijdstippen. Hoei, 16u30. Rochefort en Saint-Hubert. Orval, middernacht. Paliseul en Celles. Ontbijt in de buurt van Namêche aan de Maas. Daarna via Jodoigne huiswaarts, om 11u In Den Vetten Os.
Niet alleen gaan rijden, zei ze. Niet alleen op die donkere wegen in de Ardennen, ze rijden daar gelijk gekken.
Alleen rijden was ik ook niet van plan. Angst is soms een goede raadgever. Niet voor de afstand, niet voor het fietsen, niet voor het donker. Wel voor het materiaal. Hoe lang branden mijn lampjes? Wanneer moet ik de gps opladen? Wat met materiaalpech? Ik kan hoogstens een lekke band herstellen. Groener dan de groenste boom uit de Hoge Venen ben ik.
Ik volg. Veel meer kan ik gewoonlijk niet doen tijdens de eerste uren van een tocht. Ik ben een prutsrenner. De gemiddelde A-groep van een wielertoeristenclub, en als ik eerlijk ben zelfs de B-groep, rijdt me op haar zondagochtendritje moeiteloos uit de wielen. Renderen doe ik maar wanneer de tocht lang is, langer dan de gemiddelde wielertoeristenclub lief is. Een prutsrenner ben ik, maar als randonneur maak ik stappen.
Het verschil tussen wielertoeristen en randonneurs is, denk ik, dat randonneurs in de eerste plaats van fietsen houden. Wielertoeristen houden vooral van zichzelf, of minstens van de idee van zichzelf op een racefiets.
De samenstelling van ons groepje wisselt wat maar tegen het eerste controlepunt, aan de voet van de Muur van Hoei na 71 kilometer, vallen we in plooi. Met vier zullen we de Ardennen doorkruisen. Ik neem koffie, cola, een brownie en een foto van mijn zanderige benen. We zijn de Maas over, hier wachten ons bossen, heuvels en leegte.
In Rochefort is er mogelijkheid tot frieten. Even twijfel in de rangen. We kunnen ook de lange klim naar Saint-Hubert eerst afwerken en daar pizza eten. Slecht idee, zo denk ik. Te vaak sloeg ik op fiets- en stapreizen eetplekjes over en zag me door ongelukkig toeval genoodzaakt tot anderhalve dag reizen zonder voedsel. De frieten smaken.
Tijdens de klim breken ze me op. Ons groepje spat uiteen, ik haak af. Koud en warm zweet stromen van mijn gelaat, de mayonaise werkt zich opnieuw naar boven. Ik zwalp.
Geuren die je hebt geweten
Alles kan je nu vergeten
Op de trappers wieg je heen en weer
Zo te sterven in het zadel met je benen van papier.**
Toen ik nog tegen de Pyreneeën woonde, ben ik vaker gestorven bergop dan me lief is. Ik herinner me beklimmingen van Pla d’Adet, een rotklim, waar ik zelfs slalommend nauwelijks vooruit geraakte, ik herinner me liggen in de graskant halverwege de Peyresourde, een hongerklop even voor de top van de Aubisque.
Het schemert steeds dieper. De drie rode lampjes voor me komen opnieuw dichter. Ze wachten. Ik schakel groter en maak tempo. Met vier hebben we een faar ter waarde van de verlichting van een stevige pikdorser. We gaan in duo’s rijden met enkele honderden meters afstand. Het gaat in een rotvaart richting Franse grens, die we net niet oversteken want we keren aan de abdij van Orval.
Karel houdt het controlepunt open. Ik kijk op mijn gps. Het is stipt middernacht. Op mijn telefoon download ik het tweede deel van de gps-route, die ik meteen naar het toestel verzend. Voor de terugtocht ben ik niet langer afhankelijk van mijn compagnons. Ik kan mijn deel van het kopwerk gaan doen. We nemen een colaatje aan, stempelen de controlekaart af en een kwartiertje later gaan we opnieuw op pad.
Geniet ervan en zorg goed voor elkaar, zo geeft Karel ons mee. Held.
Het donker rolt zwart en zwaar over ons heen en de temperaturen dalen. Ik rijd nog steeds in korte mouwtjes. Ik ben geen koulijder, nooit geweest.
We stoppen aan een nachtwinkel tegenover een café waar het, als ik de muziek en kledingstijl mag geloven, bijna zomer 2003 is. Nu gaat het naar Paliseul, waar we aan de kerk een naam moeten ontcijferen op het oorlogsmonument ter controle dat we effectief de route volgen. Ik verbaas me over verlichte woonkamers, mensen die een gat in de nacht televisie kijken of domweg op de bank in slaap vielen.
In Paliseul doe ik een vestje aan want de temperaturen gaan stiekem richting vriespunt. Maar bij het ochtendgloren, ben ik allang bevroren, zoals Clouseau het ooit ongeveer vertolkte. We zijn de nacht doorgeraakt en spotten zonnestralen op de plek waar Gerd Von Rundtstedt in 1944 tot stilstand kwam. Voor het monument bij het buitenrijden van Celles zit een randonneur. Ook hij ziet er redelijk verslagen uit.
We zijn ruim driehonderd kilometer ver. Dit is nu officieel mijn langste rit ooit en ik vier met een stokbrood met kaas en boter en een mokka-éclair aan de eerste geopende bakkerij die we tegenkomen. Het leuke van BRM’s rijden is dat, hoe ver en diep je ook in de tocht zit, je toch steeds weer andere randonneurs tegenkomt. We zitten lang aan de bakkerij. We wachten op zij die, in tegenstelling tot mezelf, slechtere benen kregen doorheen de nacht.
We steken opnieuw de Maas over in Namêche. Het is droog, de buienradar heeft ons eens te meer liggen gehad. Ik rijd opnieuw in korte mouwtjes. Wolken kleuren de hemel bij. Het zou wreed grappig zijn mocht het op de terugweg nog eventjes regenen, zo denk ik terwijl we Eghezée en Jodoigne passeren richting Hoegaarden. In Opvelp, zoals het op de heenweg in Neervelp even regende, zo denk ik. En mijn wens wordt verhoord, hoewel minder druppels uit de hemel vallen dan ik zweet heb gelaten in het afgelopen etmaal.
Karel is nog uitgereden en begeleidt ons het laatste stukje naar Leuven, over kasseien en een stukje veldweg. Om 10u57 draaien we de Broekstraat op. Op de frigo thuis hangt een briefje waarop ik schreef om 11u opnieuw In Den Vetten Os te zijn. Het zal op de laatste stoplichten aankomen of we dat halen – het wordt 11u01. Ik stop de route op mijn gps. Eenentwintig uur geleden vertrokken we op deze plek. Op de teller staan 405 kilometers, ruim 4700 hoogtemeters en een rittijd van 17u15.
Ik drink een biertje en een cola en verlaat café In Den Vetten Os. Ik fiets langs de Minderbroederstraat, die op het WK-parcours lag, aan de Kapel van de Zwarte Zusters draai ik de Karmelietenberg op. Door de Leuvense begraafplaats, waar ik laatst per ongeluk de snelste strava-tijd fietste – het was rotweer, ik was gehaast en er was geen levende ziel te bespeuren – trap ik huiswaarts. Ik wil in de zetel liggen maar een peuter beslist daar anders over. Het is middag. Nog negen uur en ik mag gaan slapen. Mijn leven is een doorlopende beproeving. Een ander leven zou belachelijk zijn.
* Het is bij Koninklijk Besluit verboden een stuk over fietsen te schrijven zonder te verwijzen naar De renner van Tim Krabbé. Bij deze is mijn schuld ingelost. (Ja, ook na deze eerste paragraaf heb ik wat gepikt.)
** Vrij naar Verdronken vlinder van Boudewijn De Groot