Tja, hoe zeg ik het?

Reuzegoed voelt het om hier te zijn. In Eyres Moncube. Nog beter omdat er weer goed gezelschap is. Van pa oa. Dat die man het op zijn 96 aandurft om de vlieger te pakken, daar zal ik hem voor de rest van zijn leven dankbaar voor zijn. Daarnet nog vroeg hij me een foto te nemen van de poort. Die poort zint hem wel.
-Morgen, ok? De lasagna moet nog in den hoge.
Alles ok voor hem. Hij zegt het niet, heeft die generatie ooit kunnen zeggen dat het goed is? Misschien achteraf, weken na zijn thuiskomst.
Ondertussen probeer ik de lopende werkjes af te handelen, zeker nu ’t handige nichtje erbij is. Zij melkt kalk als geen ander. Toch dat wordt me uit handen genomen wordt.
Handen, mijn handen. They feel sore, zouden ze een eiland hoger zeggen. ’t Is meer dan sore, ronduit pijnlijk, vooral na de dagtaak. Elke dag werken. Met plezier wel. Ik kijk er zelden tegenaan tenzij ik oververmoeid ben.
Verleden weekend – zaterdagochtend 7.25u, ik wou er extra vroeg aan beginnen – bleek de kalk plots op. Voelde dàt onwennig aan. Heel mijn voorbereiding aan diggelen toen ik naar de chaux hydraulic zocht. Even plots kreeg ik een briljant idee: zou ik nu recht hebben op een vrije dag? Ik keek tussen het lover van de bomen naar de blauwe lucht, de zon in Oosten, keerde me om naar het huis en terug naar de tuin. Met de rug naar het huis gaf ik mezelf aarzelend toestemming op congé. Naarmate de dag verstreek, het zonnetje en niet de arbeid me deed zweten wist ik dat het mocht en zat ik met de vraag waarom ik mezelf altijd verplicht te werken. Of ik bang was om stil te staan?
Stilstaan doet me inderdaad geen goed. Letterlijk dan. Daar kwam ik heel toevallig achter verleden week na de elektriciteitspanne. Voor alle zekerheid toch maar bij de buren gaan checken en voor ik het wist leidde ik ze de tuin rond. We stonden te praten naast de houtstapel, over vanalles en nog wat – zij, Parijzenaars kochten grond van dezelfde eigenaar als de mijne, zijn job, hun kinderen – toen er een gemene pijn vanuit mijn been opsteeg. Mijn bekken sympathiseerde simultaan.
Ik verzette mijn voet, verdeelde mijn evenwicht en bedacht hoe ik deze interessante edoch grenzeloze kennismaking kon afronden. Een kop koffie? Ze weigerden beleefd. Ik ging op één been staan, de pijn was niet te harden, ik moest bewegen. Dus zette ik ons groepje van drie in beweging; ze volgden me tot aan de voordeur. Maar toen kwam het verhaal van de gehandicapte zoon boven – nee, geen polio – dus nodigde ik hen binnen uit, nog wilden ze niet gaan zitten of iets nuttigen. Er zat niet anders op dan stil(st)aan naar de poort te schuifelen waarbij ik twee keer tikte met mijn voet in een poging meer te bewegen dan met één simpele stap. Uiteindelijk deelde ik hen mee dat ik nog moest werken, wat heel aannemelijk was en met een glimlach onthaald werd.
Hoe langer ik hier ben, ongeveer zes weken nu, hoe meer werk ik zie. Hoe minder ik kan stoppen, een dolgedraaide machine. Tegelijkertijd hou ik ervan om hier te zijn. Sterker, ik heb nog geen second naar mijn vaderland verlangt. Alleen zijn schrikt me niet meer af.
Elke steen of muur met hem associëren doe ik niet langer. Een muur, een deur, het leidt nu een eigen leven, hij is niet meer alomtegenwoordig.
Behalve deze week. Heel aanwezig en niet alleen. Dat het geen evidentie is, is een understatement. De opgedrongen aanwezigheid van het lief nog minder.
De gevolgen daarvan, de stress dat dat met zich meebrengt en dan die dreigende arm der wet die de bovenhand probeert te halen als ik op mijn privacy strepen sta… het is een ongerijmde werkelijkheid.
Reprimandes als ik iets aan internet durf toe te vertrouwen want ik wordt gevolgd, op de letter.
–Ik ben de laatste om de hand te leggen aan creativiteit, maar…komt uit zijn mond. De hare is minder mild. Kin omhoog.
–Ik waarschuw je, waarschuwt hij mij.
-Ik ben al alles kwijt, wat kan er erger zijn?
Geplaatst in Uncategorized