431. Rond Warmond

Misschien hadden we de krantenbezorger toch meer fooi moeten geven met Oud & Nieuw. Het eerste weekend bracht hij helemaal geen krant en de week erop drie verschillende, maar niet één daarvan was onze eigen krant. Behalve geen krant hadden we ook geen weekendbijlage met een wandeltip. Nu gaan we zo’n wandeling meestal toch niet meteen lopen, maar we krijgen er wel altijd inspiratie van.

De fietsmevrouw, die nog minder fooi gegeven had dan wij, had voor straf ook geen krant. Daardoor had ze genoeg tijd om het internet af te speuren naar een leuke wandeling voor ons. Toch besteedde ze dit klusje uit aan de kunstmatige intelligentie.

Nu stelde het vrouwtje ook wel veel eisen. Niet teveel kilometers, een mix van stad en natuur, een beetje bij ons in de buurt en vooral niet in de wolvenzone. En dan stuurt AI je dus naar Warmond. De plek van ‘the rich en niet zo famous’.

Volgens de chatbot kon je er ook nog een geweldige blog over schrijven, vanwege de schilderachtige Anton Pieckstraatjes en het mystieke bos bij Huys te Warmond. Ik was dolenthousiast, dat begrijpt u wel.

Het vrouwtje temperde de verwachtingen een beetje. Chatbots laten zich doorgaans nogal juichend uit over van alles en nog wat, zelfs als ze er compleet naast zitten met hun informatie. En als je er dan wat van ‘zegt’ roepen ze in grote vreugde uit: “Je hebt gelijk, wat een geweldige aanvulling!” Geen excuus, geen schaamte, geen belofte om voortaan beter op te letten.

We parkeerden bij de Gemeentehaven waar de weekmarkt stond opgesteld (2 kramen 😀). Vanaf daar liepen we de Dorpsstraat in. Aan meerdere gevels hingen schilderijafbeeldingen op triplexplaten. Maar niet van Anton Pieck. Van wie dan wel was niet duidelijk, maar misschien zouden we er nog achter komen.

Een zijstraatje bracht ons bij een mooie theekoepel in een klein parkje aan het water. Op een bankje in de zon genoten we van de onverwachte lentetemperaturen en het uitzicht op de Kaag.

Voort gingen wij weer; op naar het mystieke bos. Het hoge toegangsbruggetje was alvast weinig mysterieus. En het rook naar plas. Nu vind ik dat niet erg, maar het helpt niet erg voor de mystieke beleving.

Statige oude eikenlanen en zanderige kronkelpaadjes met taxusbomen en moerascipressen leidden ons over het landgoed van Huys te Warmont. De nu nog kale pergola’s fluisterden beloftes vol kleur. Mijn vacht zat vol zand, takjes en dode blaadjes toen we het landgoed verlieten.

De Oude Toren was ooit onderdeel van een grote kerk, maar in 1573 staken bezorgde Leidenaren de kerk in brand, omdat ze bang waren dat de Spanjaarden het gebouw anders zouden gebruiken om van daaruit Leiden in te nemen. De toren werd later hersteld, maar voor de rest was geen geld meer. En crowdfunding bestond toen nog niet.

Zo’n kerktoren te midden van de ruïnes wekte de inspiratie op van de schoonvader van schilder Jan Steen. Hij maakte er tenminste een schilderij van dat vlakbij de toren hing. We wisten nu ook meteen van wie die andere schilderijen in het dorp waren. Jan Steen woonde 2 jaar in Warmond en schilderde diverse plekjes met gewone mensen en ondeugende hondjes. Die AI van de fietsmevrouw zat gewoon te hallucineren met z’n Anton Pieck…

Bij Albert Heijn stond een grote beschilderde bloembol als parodie op het beroemde schilderij ‘In weelde siet toe’ dat wat verborgen achter de bloembol aan de gevel hing. Die schildering is een typisch Jan Steen tafereel. Vol verborgen boodschappen en lekker chaotisch. Iedereen doet waar hij zin in heeft en de (kooiker)hond staat op tafel. Hij leek wel wat op mij, qua uitstraling dan. Op tafel klimmen en de borden aflikken zou ik natuurlijk nooit doen.

Het huis van de grote schilder vonden we trouwens niet. Het is ook niet zeker of het er nog staat. Maar dat was niet erg. Als ik wil weten hoe het huishouden van Jan Steen eruit heeft gezien, hoef ik thuis maar om me heen te kijken…

430. Met een lege accu kom je niet ver

Het was nog voor sneeuw en ijs hun intrede deden in Nederland, toen het weer zo’n zachte dag was met temperaturen die uitzonderlijk zijn voor de winter (maar desondanks best vaak voorkomen tegenwoordig. Maar ik klaag niet, want met zulk weer gaan wij wandelen en daar hou ik van).

Toch stonden mijn baasjes niet erg vroeg op. Het vrouwtje bleef zelfs nog liggen, toen de zon op haar hoofdkussen scheen. “Kom op, vrouwtje! Zie je niet dat het prachtig weer is buiten?”

Maar het had geen nut om vroeg op te staan. Het baasje moest eerst op zoek naar een garage die deze zaterdagmorgen de accu van onze auto zou kunnen vervangen. Toen ze een dag eerder boodschappen wilden gaan doen had de accu accuut geweigerd dienst te doen. Autorijden zat er echt niet in.

Nu kunnen we op zich ook wel gaan wandelen zonder auto, maar het is geen fijn idee om een auto te hebben die het niet doet. Tante Renate gaf ons een beetje stroom uit haar accu, zodat het baasje naar de gevonden garage kon rijden.

Het was al kwart voor twee toen we eindelijk op pad konden, dus we bleven een beetje in de buurt. In Haastrecht had het vrouwtje een wandeling door de oude kern en de groene polder gevonden. Het was maar vier kilometer, dus we voegden er zelf nog een kilometer aan toe door de Overtuin Paulina Bisdom van Vliet. Dat is een leuk aangelegd park op een strook grond tussen stad en polder.

Er liepen wat honden en die kafferde ik allemaal uit. Sommige baasjes vonden het grappig. Sommige niet. We wandelden over mooie bruggetjes. Bij een paar struiken, schuin tegenover een chinees aandoend koepeltje lag een gedenksteen in het gras voor Nora, een hond die pak ‘m beet 125 jaar geleden hier had rondgesnuffeld. Er kwamen 100 vragen in me op, maar er was geen bordje bij. (Twee weken na onze wandeling is in de tuin een standbeeld onthuld van hond Nora en haar vrouwtje Paulina Bisdom van Vliet. Ze woonden in het grote huis tegenover het park.)

We verlieten het parkje om via een woonwijk uit te komen op de Bredeweg, vanwaar we even later de Vlist overstaken. Dit riviertje kronkelt gemoedelijk door de Krimpenerwaard tot het in Schoonhoven uitmondt in de Lek. En als de waterstand te hoog is, dan maalt de Boezemmolen waar wij langs liepen het water zo de boezem in die naast het wandelpad ligt. Er waren nu alleen wat kleine plasjes tussen het gras. Ze glinsterden in de zon. Een mooie plek voor vogels. Wij zagen er niet zoveel, maar wij hadden dan ook geen telelenzen en verrekijkers mee, zoals veel andere wandelaars.

We sloegen bij de molen linksaf en een stuk verderop weer. Het pad was onverhard en behoorlijk drassig. Het baasje banjert overal door met zijn hoge wandelschoenen, maar het vrouwtje vond dat niet zo aantrekkelijk. We besloten een paar meter terug te lopen naar het pad dat parallel liep aan het modderpad.

Langs een bouwvallig hek dat op half zeven hing kwamen we op het andere graspad. Het was niet zo drassig, maar wel een beetje hobbelig. En er stonden prikplantjes. Dapper liep ik mee, maar het deed echt zeer aan mijn poten. Het vrouwtje zuchtte, dacht aan haar schone jas, maar tilde me toen toch op. Het was een verademing. Voor mij dan.

Aan het eind van het pad was weer een hek, maar deze stond overeind. Het baasje knoopte het touw los, zodat wij er door konden. Het vrouwtje zette mij op de grond. En zag toen het bordje….

We gingen maar snel verder. Langs de weilanden met schapen naderden we de bebouwde kom van Haastrecht. De route ging nog een kilometer door het oude centrum. Wij houden daar wel van. Die in oude luister herstelde historische panden zijn altijd leuk om te zien. Vooral het oude raadhuis met de kleine raampjes en blauwgekleurde luiken. Zo bouwen ze ze tegenwoordig niet meer. Dat geldt ook zeker voor de vier huisjes in het hofje Van Zijl van den Ham. Hoewel… het zijn eigenlijk gewoon tiny houses. Zo wordt iets ouds weer hip.

Voor de eeuwenoude hervormde kerk met de bloeiende prunussen dronken we nog wat op een bankje en liepen toen terug naar de auto, die ons dankzij de nieuwe accu probleemloos terug naar huis bracht.

429. Sneeuwschoenen

De sneeuw, waarvan veel mensen hadden gehoopt dat het tijdens de kerstdagen zou vallen, kwam uiteindelijk aan het eind van de kerstvakantie en er kwam elke dag een laagje bij. Ons kleine landje was meteen van slag. Treinen reden niet, vliegtuigen bleven aan de grond, de anwb draaide overuren en in het noorden stond een file van Drenthe tot aan de Waddenzee.

Ik lag op mijn kussen voor het raam en keek naar buiten. De sneeuwvlokken vielen als grote snippers papier uit de lucht. De kindertjes, die in het weekend vrolijk gillend buiten rondgerend hadden en sneeuwpoppen en een glijbaantje op de trap naar het parkje hadden gemaakt, waren nu allemaal naar school. De sneeuw lag er vrijwel ongerept bij.

Dat bracht het vrouwtje op het idee dat wij dan nu maar eens moesten gaan ronddartelen in de sneeuw. Van mij hoefde het niet per se. Het was aangenaam warm binnen en het kussen lag heerlijk zacht. Bovendien wist ik precies hoe het zou gaan. Zij zou met haar waterdichte bergschoenen en dikke winterjas aan naar buiten gaan en ik weer in mijn blootje. Zoals mijn vriend Marrie pas al opmerkte toen ik in winters Duitsland was geweest: ik zou wel dood kunnen vriezen.

Dit was bij de eerste plasronde, toen ik nog geen sneeuwschoenen aan had.

“Weet je wat, dan vragen we Philou ook”, zei het vrouwtje. Net alsof het dan minder koud is aan je poten. Maar daar had het vrouwtje wel een oplossing voor, zei ze.

Inmiddels was Philou gearriveerd. Die is nog jong en onbesuisd en stond te dansen van plezier bij het vooruitzicht van een sneeuwwandeling. Maar dat werd wel een beetje getemperd toen ze mijn sneeuwschoenen zag en tante Renate zei dat ze ook heel geschikt waren voor Philou.

We stonden op het aanrecht en kregen onze voetbescherming aangemeten. Een pluk wol onder onze voetzooltjes, een plastic zak eroverheen en tape erom tegen het verliezen. Het helpt inderdaad tegen sneeuwklonters tussen je tenen, maar je hebt ook geen grip meer. En dat is toch wel een dingetje.

Maar daar had tante Renate dan weer wat op bedacht. Een hondenslee. Klinkt leuk. Was het niet. Tenminste, ik vond het niks. Philou vond het geweldig. Maar die is dan ook niets gewend.

Jong en oud in een koude krat…

Het vrouwtje vond het hilarisch. Er zaten namelijk geen ijzers onder deze geïmproviseerde slee, dus in plaats van dat wij door de sneeuw gleden, sleepten wij een steeds grotere berg sneeuw als een sneeuwschuiver met ons mee. We gingen dus toch maar zelf lopen. En eerlijk is eerlijk, nu waren die handgemaakte sneeuwschoenen toch wel heel handig. Ik had maar één koude poot; precies die waarvan ik de sneeuwschoen stiekem had weten uit te sjorren.

Het plan was dat we een winterwandeling gingen maken, maar dat was geen doen. De sneeuw joeg ons steeds harder in het gezicht. Om foto’s te maken was het eigenlijk ook te koud. En ik werd horendol van Philou die onvermoeibaar rondjes om me heen bleef rennen, terwijl ik me probeerde te concentreren op de beste plasplekken.

Uiteindelijk bleven we een beetje in het parkje hangen en toen onze jasjes doorweekt waren en ik in al de franjes aan mijn poten grote sneeuwballen had hangen, gingen we weer lekker naar binnen. En als de sneeuw volgende week weer weg is, gaan we lekker aftellen naar het voorjaar. Ik heb er nu al zin in.

428. Minimensjes

De kerstdagen waren zonnig, maar ijzig koud. Niemand had ons uitgenodigd voor een kerstdiner en wij hadden ook niemand gevraagd. We konden dus lekker binnen blijven bij de verwarming en de kerstpakketten leeg eten.

Na de kerst was de blauwe lucht weg, maar de ergste kou ook. Dus we stapten in de auto voor een wandeling ergens in het land. We stopten in Oudenbosch met de grote basiliek die je vanaf de snelweg al ziet staan, alleen nu even niet. De enorme koepel was gehuld in flarden mist.

Vanaf de parkeerplaats bij het nu gesloten arboretum (alleen tijdens de kerstdagen is het ’s winters open) begonnen we onze wandeling langs de miniatuurmensjes. Mijn baasjes hadden alleen op de telefoon een kaartje met rode stipjes en een beschrijving bij zich, wat best onhandig was, want dan moesten ze na elke stap op de telefoon kijken waarheen nu verder. “Joh, dan lopen we gewoon op de bonnefooi en kijken we goed om ons heen of we de poppetjes zien”, zei het vrouwtje. Onze wandeling van vandaag was namelijk eigenlijk een soort speurtocht naar miniatuurmensjes, die een verhaal vertellen over de plek waar ze staan. Soms is dat een bijzonder gebouw, soms heeft er een interessante persoon gewoond of is er gewoon iets wetenswaardigs te melden.

De eerste mensjes zouden we niet kunnen zien, omdat ze achter bouwhekken stonden. Maar de wildplassers bij de kapel van het jongensinternaat Saint-Louis zouden we toch moeten kunnen vinden. Terwijl het baasje een kijkje nam in de kapel slenterde ik met het vrouwtje over het plein, op zoek naar de mensjes. En dat viel nog niet mee. Het vrouwtje pakte de telefoon er nog eens bij en las dat er 7 poppetjes in een tunneltje zaten. De tunnel was gelukkig wel makkelijk te vinden en na enig speuren vonden we ook 3 van de 7 minimensjes.

Toen het baasje zich weer bij ons had gevoegd vroeg hij of we al een poppetje hadden gevonden. “Ja”, zei het vrouwtje. “Wel drie”. Het baasje keek om zich heen, maar zag niets. Maar ja, de poppetjes waren dan ook wel heel erg mini.

Er was dus geen sprake van dat wij een beetje op goed geluk die poppetjes zouden gaan zoeken. Ze zaten op 57 plekken en we zouden al onze zintuigen nodig hebben om ze te vinden.

Tegenover de kapel bij de ingang van een groen hofje vonden we het volgende mensje en even verderop nog eentje. Deze zaten in een glazen kubus, zo groot als een dobbelsteen. Daardoor vonden we ze wel iets makkelijker, maar was het ook wel wat moeilijker om het poppetje te zien. Desondanks herkende het baasje meteen de miniversie van cabaretier Youp van ’t Hek, wiens opa had gestudeerd aan het jongensinternaat.

We vonden de orgelman, de paraplu, de trommelslager en nog vele andere. Sommige misten we ook, omdat we de straat niet konden vinden, er bouwhekken voor stonden, het poppetje gejat was (Vincent van Gogh bijv.) of gewoon omdat we niet goed keken. Natuurlijk jammer dat we daardoor het kauwgommeisje niet vonden, maar we zagen dan wel weer het schaarsgeklede poppetje van de ondergoedwinkel.

En we vonden een banketbakker met grote witte bokkenpoten. Nee, niet zijn eigen onderstel, maar van die lekkere om op te knabbelen. Met aardbei-, kiwi-, of bananenroom ertussen. We konden alle drie een andere kleur nemen en dan van elkaar proeven. Ware het niet dat ik geen bokkenpoot kreeg. Deze nooit eerder gesignaleerde lekkernij ging aan mijn neus voorbij. Gelukkig heb ik nog een voorraadje snacks van Sinterklaas.

Na zo’n 2,5 kilometer kwamen we uit bij de 19e eeuwse basiliek, die is geïnspireerd op (o.a.) de Sint Pieter in Rome. Als je ervoor staat voel je je net zo klein als de minimensjes in de kubusjes. Toen het baasje de kerk bekeken had en het vrouwtje en ik half verkleumd waren door het buiten wachten gingen we op zoek naar de laatste poppetjes. De lichten sprongen al aan toen we de laatste gevonden hadden. Mooi moment om weer naar huis te gaan.

Ook op zoek naar de minimensjes? Hier vind je er alles over.

427. Blote voeten in de sneeuw

“Kan het zijn dat ik sneeuw zie?” vroeg het baasje, terwijl hij de auto door de duisternis stuurde. Het vrouwtje had een beetje zitten dommelen, maar deed nu haar ogen open. “Ja”, zei ze. “Dat zie je goed. Wat een bonus!”

’s Middags was er nog niets aan de hand geweest. We waren naar de Achterhoek gereden en vlakbij Vorden in het gat Vierakker uitgestapt. Het was op zich wel fris – als we ademden, stegen er kleine wolkjes damp omhoog – maar er lag geen sneeuw. De zon bescheen de laatste bladeren die nog aan de bomen hingen. Het was prachtig weer voor de Ockhorstroute.

De Ockhorstroute is een gemoedelijke wandeling over het landgoed Hackfort. De routebordjes met een vliegende gans wezen ons de weg door bos en weiland. We liepen over mooie lanen en door het open veld, met hier en daar een rietgedekte boerderij. Nadat we een heuse beek waren overgestoken voerde de wandeling ons over het erf van een melkveebedrijf. Het geloei was al van verre te horen, dus het vrouwtje met haar koeienfobie was op haar hoede, maar alle koeien stonden op stal. Wel waren de alpaca’s buiten, maar door hun lieve gezichtjes is volgens mij helemaal niemand bang voor deze dieren.

Vlak voor de finish vonden we nog een gezellig bankje in de zon, compleet met een matje om de voeten te vegen en een mini-bibliotheek voor als we elkaar niks meer te vertellen zouden hebben. We dronken er een kopje thee en aten de kruidkoek op die het vrouwtje in de landwinkel had gekocht vlak voor we Vierakker inreden.

Na de wandeling waren we met de kachel op 21°C verder naar het oosten gereden. En daar, in het Sauerland, lag dus sneeuw. Ik had het eerlijk gezegd pas door toen ik uitstapte. Ik zakte meteen tot mijn enkels in de sneeuw. Een ijzige wind waaide langs mijn oren. Snel een plas en vlug naar binnen, waar onze tijdelijke buurvrouw de verwarming al voor ons had aangezet.

De volgende dag zagen we pas goed hoeveel sneeuw er lag. Vanuit de woonkamer hadden we zicht op de besneeuwde daken van het gehuchtje en de witte berg erachter. Ook nu scheen de zon, wat een prachtig gezicht was. Kaiserwetter noemen ze dat: verse sneeuw, blauwe lucht, stralend zonnetje.

We klommen het trapje achter ons appartement op en stonden meteen in het bos. Mijn baasjes waren dik aangekleed, met handschoenen en mutsen. De 7 graden vrieskou tintelde rond alles wat onbedekt was. Desondanks liep ik op blote voeten door de poedersneeuw. Zolang ik niet te lang stil bleef staan ging dat ook prima. Als je maar in beweging blijft, dan vriezen je voeten niet vast aan de grond.

De natuur om ons heen was prachtig. Met de sneeuw op het pad en de zon door de besneeuwde bomen waanden we ons in een sprookjeswereld. Het vrouwtje probeerde de witte wereld te vangen in een filmpje, verzuchtend hoe mooi het allemaal was. Het baasje knikte, maar vond het eigenlijk een beetje te veel buiten zijn (warme) comfortzone. Eerst waren we al naar herfstig Engeland geweest en nu dit weer. “De volgende keer gaan we gewoon weer naar de zon, hoor”, bromde hij.

Toch liet het baasje zich overhalen om op een bankje te gaan zitten. Het was nog nat van gesmolten sneeuw, maar poncho’s kun je ook gebruiken om droge billen te houden op natte bankjes. Uit de rugtas kwamen verder kluifjes en een thermoskan met hete thee. Amper tien minuten later was de lage winterzon achter de bergen gezakt en werd het wel heel fris op het bankje. Snel liepen we door naar het appartement, waar we weer op temperatuur konden komen. We zijn het niet meer zo gewend die kou, en je moet er ook niet te lang in blijven, maar bij deze temperaturen voel je wel dat je leeft!

En een filmpje voor toch nog een witte kerst…

426.Tompoeshond

Mijn vriend en tweedegraads neef was vorige maand jarig. Hij zou half zo oud worden als ik, die dubbel zo oud ben, maar half zo weinig weeg. Eigenlijk werd hij zo oud als mijn gewicht in kilo’s, terwijl hij mijn leeftijd in kilo’s meedraagt. U snapt, dat is natuurlijk een heel bijzondere leeftijd 🙂

En bij een bijzondere verjaardag hoort natuurlijk een bijzonder cadeau. Het liefst was ik de hele dag op visite gegaan, maar het vrouwtje moest naar kantoor, dus dat ging niet gebeuren. Hoe moest dat nu?

Gelukkig had het vrouwtje er al over nagedacht en bij de Hema een doosje gekocht waarmee je een hondentompoes kon maken. Een Tomhond zeg maar. De Hema noemt het zelf Tomwoef, trouwens.

De dag voor Plexi’s verjaardag was het vrouwtje vrij. De zon scheen opgewekt de keuken in. Een mooier moment om aan ons project te beginnen zou er niet komen. Het vrouwtje scheurde enthousiast het doosje open. We waren allebei wel een beetje teleurgesteld toen er alleen een zak poeder inzat. We zouden er vast nog een zware dobber aan krijgen om daar een Tompoeshond van te maken.

Het poeder moest gemengd worden met 350 gram appelmoes. Lepels vol appelmoes verdwenen in de beslagkom. De laatste lepel mocht ik aflikken. Maar bah zeg, wat een zoete smurrie. “Eet dat zelf maar op, vrouwtje. Dit hoef ik niet.” Hopelijk was Plexi wel gek op appelmoes.

Toen het poeder en de appelmoes genoeg aan elkaar gehecht waren smeerde het vrouwtje het in een lange plak uit op het bakblik. Na 20 minuten in de oven was het een dikke zachte koek geworden, dat in niets leek op de dunne crackers op de verpakking. Het vrouwtje sneed zes rechthoekige plakken en proefde daarna van de afgesneden restjes. Mijn vrouwtje houdt namelijk wel van appelmoes. “Het is echt niet vies, Scotty. Proef maar.” Aarzelend nam ik een hapje. Wauw, dat was echt wel lekker geworden! “Geef mij al die stukjes maar, vrouwtje.”

We gingen beginnen aan de pudding. Die moesten we helemaal zelf maken, want de zak met poeder was op. Het vrouwtje mixte een rijpe banaan tot snot. Ik vond het al niet lekker toen ik een plakje van de banaan mocht proeven, maar als snot was het nog veel viezer.

De koelkast ging weer open. Er kwam yoghurt tevoorschijn. Dat lust ik op zich wel, dus dat liet ze me niet proeven. De bananensnot en de yoghurt moesten samen een vrolijk gele pudding worden die we als worstjes op onze dikke koekplakken moesten spuiten. Wat natuurlijk niet ging, want na het mixen was het nog steeds vloeibare yoghurt gemengd met inmiddels onzichtbare bananensnot. Verpakkingen tonen meestal een vertekend beeld van de werkelijkheid, maar deze verpakking wel heel erg. Eigenlijk weet je dat wel, en uiteindelijk gaat het om de smaak, maar het oog wil ook wat, zeker als je het cadeau wilt geven.

Het vrouwtje liet me alleen bij het project en kwam even later terug met een doosje kleurstof voor cupcakes. Twee oranje druppels waren genoeg voor een echte Tompoeskleur. Het zag er meteen al lekkerder uit ook.

Na een uurtje in de koelkast was de ‘pudding’ ook wat opgestijfd. Het vrouwtje klodderde de gele brij op de koekstukken en legde toen de volgende koek erop. Doordat de koek zo dik was zakte de yoghurt er tussenuit. Het zag er niet echt smakelijk uit allemaal.

“Als je het nou ook eens op de zijkant smeert?” bemoeide ik mij ermee. Dat zag er net echt uit. In een apart gehouden restje yoghurt mengde mijn vrouwtje een druppel rode kleurstof, voor het roze laagje op ons gebak. Hopelijk zou Plexi daartegen kunnen, al die kleurstof. Sommige kinderen worden er heel druk van…

Het vrouwtje zette de twee gebakjes weer in de koelkast, waarna we samen de overgebleven yoghurt opaten. Kon het vrouwtje meteen even testen wat die kleurstof zou doen.

In de regen reden we ’s avonds naar Plexi om hem zijn gebakje te brengen. Hij was er blij mee, dat zag ik zo wel. En de volgende dag kregen we een filmpje van de jarige die zich mijn cadeau goed liet smaken.

En zo liep het verhaal van deze miskoop toch nog goed af 😉

Klik hier als je geen smulfilmpje ziet

425. Prut

Het was prut. Dikke, vieze, zwarte prut. Het zat in mijn oor en het wilde er niet uit.

Ik krabde eens onopvallend aan mijn oor. Dat moet ik áltijd onopvallend doen, want als ik te vaak aan mijn oor krab bemoeit iemand in huis zich ermee. Ik zal geen namen noemen, maar het is iemand die zich steeds met het baasje en mij bemoeit als wij mannendingen aan het doen zijn. Niksen bijvoorbeeld. Of ons hoofd leegmaken. Slapen. Beetje krabben. Dat soort dingen. Maar goed, die iemand vindt dus dat ik niet te vaak aan mijn oor moet krabben, want met mijn nagels beschadig ik dan de binnenkant van mijn oor. En dan ga ik nog meer krabben, met nog meer beschadigingen tot gevolg en voor je het weet zit je in een vicieuze cirkel en stik je van de oorpijn.

Maar goed, het onopvallend krabben hielp niet. Ik schudde eens met mijn kop. Heel even voelde ik verlichting. Eén seconde maar. Ik schudde nog eens, en nog eens. Het leek nu net of er iets klotste in mijn oor. Als ik nu wat harder zou schudden? Misschien klotste het dan zomaar mijn oor uit. Maar hoe ik ook schudde, het klotsen bleef. En misschien nog wel het ergste: het vrouwtje had het in de gaten.

“Gaan jullie nog even naar de dierenarts?” vroeg het vrouwtje, terwijl ze haar jas aantrok om naar kantoor te gaan. Dat zag er niet best uit voor me. Als er één plek op aarde is, waar ik niet graag ben, dan is het wel bij de dierenarts. Maar misschien vergat het baasje het wel als ik me heel erg gedeisd hield.

Eind van de ochtend gingen we toch naar de dierenarts. Ik hoefde gelukkig niet zo lang te wachten. Van wachten word ik altijd erg zenuwachtig. Ik kwam de spreekkamer in, waar de tafel zo laag stond dat ik er op kon springen. Meteen drukte de dierenarts op een knopje en voelde ik me de lucht in gaan, tot ik op bijna gelijke hoogte was met de dierenarts.

Toen het baasje had verteld dat ik veel aan mijn oor krab en met mijn oor loop te zwiepen, kwam er een eng apparaat met een lampje tevoorschijn. Ik vond het al zeer doen toen de dierenarts in mijn oor scheen, maar de echte pijn kwam toen hij met een groot scherp zwaard mijn oor afsneed. Ik gilde van de pijn. Hoe haalden ze het in hun hoofd om mij zo te pijnigen? Toen ik opkeek zag ik dat de dokter een blauw wattenstaafje in zijn hand had waarmee hij wat prut uit mijn oor had geschraapt. Nou ja, ook ik vergis me wel eens.

We mochten even een rondje gaan lopen terwijl de dokter mijn prut wat beter zou bestuderen. Toen we een kwartiertje later terug kwamen mocht mijn oor eraan blijven zitten, maar kreeg ik wel zure druppels mee. Elke dag een half flesje druppelen en de zwarte smurrie zou verdwenen zijn.

Het vrouwtje wilde ’s avonds meteen beginnen. Ik moest bij haar komen zitten terwijl ze mijn oor binnenste buiten klapte en er een druppel in liet vallen. “Au!” gilde ik en kronkelde onder haar handen vandaan. Ze pakte me weer beet voor ik van de bank kon springen. Toen ze weer met het flesje bij mij oor kwam, hapte ik. Ik laat het wel uit mijn hoofd om echt te bijten, en het vrouwtje trok zich er ook niks van aan, maar het baasje vond dat ik een grens was overgegaan. Hij pakte mijn snuitje en deed ‘m om. Ik kon niet meer happen, maar wel krijsen. Wat ik dan ook deed.

Uiteindelijk zat dan toch de helft van het flesje in mijn oor. Het vrouwtje masseerde het volgens opdracht van de dokter zover mogelijk mijn gehoorgang in. Daarna mocht ik gaan. Ik schudde wild met mijn kop om de druppels kwijt te raken. Helaas vloog het oorsmeer nog niet mee, dus moet dit net zolang herhaald worden tot het loskomt. Ik hoop maar dat het snel is, want de pijn van de druppels en de zaklamp waarmee mijn baasjes kijken hoeveel prut er nog zit, is ondraaglijk. “Stel je je niet een heel klein beetje aan, Scotty?” vroeg het vrouwtje. Maar dat vind ik niet. Ik ben gewoon heel gevoelig. “Nee, je bent een mietje”, zei het vrouwtje, die toch weer het laatste woord wilde hebben…

424. Het avondje van Sinterklaas

5 december, 06.00 uur:
Als ik het afgelopen jaar lief genoeg ben geweest, verschijnt hier vanavond een blog over mijn Sinterklaascadeau. Als ik niet lief geweest ben, zit ik in de zak naar Spanje…

5 december, 19.40 uur:
Ik geef toe, ik kneep ‘m toch een beetje. Zou ik lief genoeg geweest zijn? Zou er een cadeautje voor me zijn?

Ik had me eigenlijk helemaal geen zorgen hoeven maken, maar wie dacht nu nog aan dat pakketje van 2 weken geleden? Ik in elk geval niet. Er was een vrolijk pakje bezorgd en er stond heel duidelijk mijn naam op. Ik had er ook nog aan geroken en wat ik rook was veelbelovend. Ongelofelijk eigenlijk dat ik dat pakje dan toch weer vergeten was.

Gelukkig was het vrouwtje het niet vergeten. Toen we vandaag voor de middagplas waren geweest kwam ze bij me zitten. Het cadeau lag op tafel. “Wat denk je, Scotty? Denk je dat je dit open krijgt?”

Dat dacht ik wel. Er is niet zo heel vaak meer wat te scheuren, maar scheuren is een vaardigheid die je nooit verleert. En aangezien ik in mijn jonge jaren veel geoefend heb, zat ik er nu echt niet over in of ik het pakje open zou krijgen.

Het bloemenpapier had ik er vrij snel af. Daaronder zat karton. Level 2, zeg maar. Ondanks het plakband kreeg ik dat karton er ook vrij snel af. Tussendoor zag ik wat groens tevoorschijn komen. Zou Sinterklaas nou serieus denken dat ik zat te wachten op een doos met brokjes? Moet je je eens voorstellen, Sinterklaas, dat één van jouw Pieten jarig is en trakteert op sneetjes brood. Daar is toch ook niks aan?

Maar de doos was geen doos met brokjes. Het was een doos met Swifferdoekjes! Nou zeg! Mijn naam stond toch op het pakje? Ik heb helemaal niets met schoonmaakdoekjes! Of zou het een surprise zijn?

Net toen ik dat wilde onderzoeken vond mijn vrouwtje de envelop met het gedicht. U moet weten, ik haat gedichten. Mijn vrouwtje vond het leuk, maar ik vond het alleen maar eindeloos lang duren, want natuurlijk moest het ook nog voorgelezen worden. Gelukkig kan je vaak wel onopvallend even wat anders doen.

Na het gedicht kreeg ik de Swiffers terug. Gelukkig had ik al geroken dat er iets heel anders in zat. Fanatiek scheurde ik de doos open en haalde het eerste cadeautje tevoorschijn. Ingepakt natuurlijk, dus ook dat moest ik weer openscheuren. Ik was een beetje de tel kwijt op welk level ik inmiddels was.

Rodeo’s! Mmmmm. Lekker. Maar ik had geen tijd om te lang bij de Rodeo’s stil te staan. Er was nog meer. Gedroogde eend! Eet ik niet vaak, maar krijg ik zeker weg. En doorrrrr! In het derde pakje zaten Dentastix. Zogenaamd verantwoord, maar ik weet wel beter. Die sticks zijn gewoon hartstikke lekker, en dan poets ik daarna wel voor echie.

Het aller-, aller-, allerlekkerste zat helemaal onderin de doos. Het wilde er eigenlijk niet uit, maar ik zou niet opgeven. Want ik had het al geroken. Het waren vleesrepen van Pedigree. En die zijn, u zou het ook eens moeten proeven, echt verrukkelijk! Ik ken weinig dingen die lekkerder zijn dan die repen. Zo lekker dat ik ze het liefst zonder kauwen doorslik.

Het laatste level is altijd het moeilijkst. Maar de geur van de vleesrepen gaf me oerkracht. Ik scheurde het zakje open en liet meteen een halve reep naar binnen glijden. Voor het vrouwtje zou kunnen ingrijpen pakte ik snel nog een hele.

Het vrouwtje heeft beloofd dat ik al mijn snacks krijg, maar niet allemaal vanavond. Het wordt dus wel een heerlijk avondje, maar ook nog een heerlijke morgen en overmorgen.

Sinterklaas, ik ben ontzettend blij met mijn cadeaus. Het was meer dan ik had durven dromen. Dank u, Sinterklaasje!

En voor de echte Sinterklaasfans is er natuurlijk een filmpje!

423. Noordeloos

Wij hebben in huis een laatje met allemaal wandelingen erin. Die scheuren we in het weekend uit de krant en bewaren we voor een gelegener tijd. Soms is dat snel; binnen een paar weken. Soms is dat niet snel en ligt de wandeling rustig twee jaar in de la. En dan kan de beschreven route zomaar opeens niet meer bestaan.

Dat hadden wij met de wandelroute in Noordeloos. De route zou ons over de provinciegrens naar de Noordelose kade brengen waar het wandelen echt genieten zou zijn. Er stond een wandelingnummer bij, maar die bleek dus niet te bestaan. En hoe het vrouwtje ook probeerde met schuifjes en vinkjes aan- en uitzetten op Routeyou.com; de wandeling kwam niet tevoorschijn. Maar toen hadden we wel onze zinnen al gezet op Noordeloos.

Dus we pasten onze plannen aan. Er stond ook een wandeling op de site met de veelbelovende naam: Noordeloos, verkeersarm. Daar houden wij van. Dus we verlieten de Bonifatiuskerk waar we geparkeerd stonden, staken de brug over en liepen over de rijbaan het dorp uit. Bij de brug over de Botersloot sloegen we linksaf om aan de echte route te beginnen.

Tot aan de molen ging het wel. Daarna moesten we ons echt vermannen om door te lopen. De weg was lang en recht en lag pal naast de provinciale weg. De auto’s scheurden ons voorbij. Wham! Wham! Wham! Het was of ik bij elke passerende auto een klap in mijn oren kreeg. Nu konden we in plaats van op het fietspad ook op de grasstrook naast het pad en de sloot lopen, maar voor het geluid maakte dat nauwelijks iets uit.

Ik was al een paar keer gestopt en had het vrouwtje smekend aangekeken. “Ik vind er ook niks aan knul, maar je moet even volhouden, straks wordt het beter.” Straks, dat was ongeveer twee kilometer verderop, maar het voelde veel verder. We staken over naar Minkeloos. Ondanks dat we nu niet meer naast een weg liepen, maar erop, was het hier toch fijner lopen. Af en toe kwam er wel groot verkeer voorbij, maar dat hoorden we gelukkig op tijd, zodat we in de berm konden schuilen.

Er was genoeg te zien in het gehucht. Boerderijen, tuinen, knotwilgen, schapen, hangbuikzwijnen, kippen. En koeien. Maar die stonden achter een hek, dus niets om bang voor te zijn. Ik begon dorst te krijgen. Omdat er nergens een bankje stond, gingen we zitten op een betonnen landbouwbrug in de zon. Versterkt door de drankjes, broodjes en snacks liepen we verder over het Binnenstebuitenpad. Op een enkele fietser na was hier geen verkeer. In het gehuchtje Hoornaar, met oude boerderijen met mooie luiken en rieten daken, liepen we op de enige weg door het dorp. Achter de geparkeerde auto’s verschansten we ons voor het verkeer dat ons tegemoet kwam en achterop reed.

Langs de kronkelende rivier De Giessen liepen we terug naar Noordeloos. Vlak voor we daar waren besloten we van de route af te wijken. In plaats van over de doorgaande weg liepen we over het Laantje, een idyllisch pad langs het water, verscholen achter het riet.

En er stond ook nog bankje om van dit mooie plekje te genieten. En van een marsepeinworst en een vleesreep… En zo keerden we over de Noordzijde, waar niet veel auto’s reden, maar toch wel een paar, weer terug naar het kerkplein waar we begonnen waren.

Het was een leuke wandeling, maar verkeersarm? Nee, zo zou ik deze wandeling toch niet noemen. Als je gaat wandelen zonder hond is het allemaal niet zo’n punt, maar met mij erbij vonden mijn baasjes dit toch niet zo’n ontspannen wandelroute. Maar we hadden wel een hoop gezien en het was heerlijk weer. De minpuntjes vergeten we vanzelf weer.

422. Novemberlente

De regen sloeg zo hard tegen de ruiten dat ik nauwelijks durfde te gaan slapen, bang als ik was dat het binnen zou overstromen en ik op mijn slaapkussen zou wegdrijven naar onbekende oorden. Toen het ook nog begon te stormen, met mooie namen en onverantwoorde snelheden, dacht ik dat we zo de winter ingesleurd zouden worden.

Maar toen de wind in de straat alle bontgekleurde bladeren van de amberbomen had gerukt en op de grond gesmeten, ging hij weer liggen zoals een verzadigd roofdier met zijn prooi. De grijze wolken dreven weg zonder dat er nog regen uit viel. De zon nam het over en verwarmde het geteisterde land tot een graad of zestien. Lente in november!

Tante Renate had een 6 kilometer lange lentewandeling in Boskoop uit een blaadje gescheurd met een plattegrond en een karige omschrijving. Maar omdat we bekend zijn in Boskoop zou het ons vast wel lukken.

Stipt om half elf vertrokken we naar het startpunt bij het station in Boskoop. Onze eerste stop was het rosarium tegenover het station. Dat het niet echt lente was bleek wel in de tuin. Er bloeide bijna niets meer, slechts een paar verdwaalde rozenblaadjes aan de kalende struiken. We namen snel een paar foto’s van het fotogenieke koepeltje in de tuin en gingen verder.

We staken het spoor over en sloegen af naar het Zwarte Pad. We wandelden verder door de heemtuin met allerlei wilde planten. Ook hier lagen de meeste op apegapen. Tussen het riet lag een vlonderpad in het water. Ik ging voorop, Philou volgde aarzelend. Maar al gauw zag ze dat er niets engs aan was. Ze durfde zelfs naast mijn vrouwtje te gaan zitten voor een foto in de zon. Het duurde even voor we allemaal tegelijk in de lens keken, maar we hadden toch tijd genoeg.

Aan het einde van de heemtuin raakten we een beetje van het pad. Links bleek rechts en rechts bleek eigenlijk links. Met de oude watertoren als oriëntatiepunt kwamen we er toch uit. Daar moet op gedronken worden, hi ha ho. Bij tuincentrum Sonneveld lasten we een theepauze in tussen de droogbloemen en de rieten manden. We hadden tenslotte toch tijd genoeg.

Toen we weer buiten stonden liep het tegen half één. “Heb jij brood bij je”, vroeg het vrouwtje aan tante Renate. “Nee”, zei ze. “Dat leek me niet nodig voor zo’n kort rondje”. Het vrouwtje had dezelfde gedachte gehad. Maar we waren nu nog niet eens halverwege!

Broedend op een plan liepen de zussen verder. We hadden natuurlijk terug kunnen gaan, maar dat is voor losers en dat zijn wij natuurlijk niet. En opa zegt altijd dat wij er echt niets van krijgen om een keer een maaltijd over te slaan. Ik denk dat hij daar wel gelijk in heeft. Maar toen kwamen we langs een eetcafé. En het was open. En er was een terras in de zon. En ze hadden uitsmijters. En toen zaten we daar dus opeens met z’n allen…

Je ziet me niet, maar ik sta ook op de foto. Kijk maar naar mijn pootjes op de grond.

Het was al over half twee toen we verder gingen. Plotseling bleef het vrouwtje staan. Voor een huis met een prachtig onderhouden tuin bleef ze staan en gluurde naar binnen. Opeens begon ze te zwaaien. Binnen werd ook een hand opgestoken. En toen zwaaide de voordeur open en dronken we ook nog een glaasje bij de oom en tante die hier woonden.

“Wat brengt jullie hier?” vroeg ome Jan. De zussen vertelden van het lekkere weer en de wandeling van 6 kilometer. “Dat is een mooi rondje”, zei ome Jan. “Waar zijn jullie begonnen?” “We zijn om half elf thuis vertrokken en hebben de auto bij het station geparkeerd”, vertelde het vrouwtje. Ome Jan keek op zijn horloge. “Dan lopen jullie niet erg snel. Jullie zijn nog niet eens op de helft”, merkte hij op. Maar hij wist natuurlijk niet van die foto’s, het theedrinken en de uitsmijters.

Met de hartelijke groeten voor iedereen namen we afscheid. Het was kwart over twee. Als we in dit tempo doorgingen zouden we niet eens voor het donker bij de auto zijn. We zetten er dus toch maar een beetje vaart achter. Over de lange Roemer liepen we naar de Loetweg. Ook hier kwamen we bekenden tegen, maar die zaten op de fiets, dus dat kostte verder geen tijd.

Het vrouwtje moest naar de wc van alle drankjes die ze op had, maar nergens stond meer een café of een Dixie. Maar de Piska(de), waar we inmiddels op liepen, bood soelaas. Niemand weet trouwens meer waarom ze de Padesche Kade Piskade zijn gaan noemen, en wij dus ook niet. Misschien hadden we het aan ome Jan moeten vragen. In elk geval is het een prachtig strookje groen in het water, met wilgen langs het pad en wilde bloemen in het gras. Aan het eind kun je door het Paddegat onder het spoor door en dan ben je al haast weer bij de auto, waar we uiteindelijk om half vier aan kwamen. Misschien hadden we inderdaad wel erg getreuzeld, maar wat is er nu heerlijker dan de hele dag buiten zijn in de novemberlente?

421. Nijntje

Achterin de auto lag Nijntje in een blauw jurkje met gaten. Ik vroeg me af waarom dat konijn mee moest. Wandelen zou naar mijn idee veel makkelijker gaan zonder een konijn dat niet zelf kan lopen. Maar volgens het vrouwtje moest Nijntje beslist mee. We zouden haar na de wandeling cadeau geven aan de jongste telg van onze familie.

Ik was gerustgesteld. Met mijn verstand weet ik wel dat ik veel leuker ben dan een bellenblazende Nijntje, maar toch. Ik ken genoeg verhalen over afgedankte huisdieren die niet meer leuk gevonden werden door hun baasjes. Maar het vrouwtje verzekerde mij dat ze allebei heel veel van mij houden en mij nooit zullen inruilen voor iets of iemand anders. Om haar liefdesverklaring extra kracht bij te zetten liet ze Nijntje ook gewoon in de auto liggen, terwijl ik er wel uit mocht.

Normaal gesproken maakt het niet zoveel uit hoe laat we vertrekken of hoe laat we thuiskomen, maar dat was nu natuurlijk anders. Je kunt niet om 20.00 uur op een kinderfeestje aan komen kakken. Dus we bleven een beetje in de buurt, zodat we toch nog genoeg tijd hadden om te wandelen.

We stapten uit bij de Reeuwijkse surfplas. Twee vissers met waadpakken en een surfer met een wetsuit trotseerden het koude water. Wij bleven lekker op de kant lopen, met nog wat andere mensen. Toen de zon begon te schijnen en er ook nog een bankje stond, was het spontaan lunchtijd. Net als mijn baasjes vind ik lunchen in de buitenlucht altijd supergezellig. Veel leuker dan in een lunchroom of restaurant. Daar mag je niks zeggen, moet je onder de tafel gaan zitten en zie je ook geen klap.

Na het eten liepen we verder over de Oudeweg/Zoetendijk, een smal paadje tussen de wilgen. Daar liepen helemaal geen mensen, want als je niet weet dat het er is, zie je het niet. Het was dankzij de Stop-de-Prop-loop vorig jaar dat we dit paadje ontdekten. We liepen deze dijk net niet helemaal uit, omdat het erop het leek dat we dan verderop door het water verder zouden moeten.

Achteraf bleek er toch een bruggetje te zijn, maar toen waren we al naar het gehucht Sluipwijk gewandeld langs grote vrijstaande huizen met dito hekken. In veel tuinen bloeiden herfstbloemen, zoals dahlia’s en asters. Ondanks dat we op een asfaltweg liepen, was het toch leuk doordat er zoveel te zien was. Op een levendig kruispunt op een heerlijk zonnig bankje lasten we nog een laatste pauze in, omdat we anders te vroeg op het partijtje zouden zijn, waarna we door een ietwat saaie woonwijk weer terug wandelden naar het parkeerterrein. Bij de auto aangekomen hadden we zomaar 7,3 km weggewandeld. Konden we dat mooi weer aanvullen met traktaties van de jarige!

En Nijntje? Die werd met knuffels en kusjes begroet en gaat een prachtige toekomst tegemoet in het huis van ome Sjaak.

420. Papillonbrigade

“Dan zien we jullie daar”, zei het vrouwtje en hing op. Het was me niet duidelijk wie ze aan de lijn had, maar daar zou ik vanzelf achter komen, want het vrouwtje was inmiddels naar de gang gelopen en had mijn riem gepakt.

We waren net de wijk uit, toen tante Renate belde. Of we zin hadden in een boswandeling. Normaal zijn we daar zeker voor te porren, maar nu hadden we al een date. “Kom anders ook”, zei het vrouwtje. “Het is gratis.”

Gratis oefent op veel mensen een grote aantrekkingskracht uit. Tante Renate vormt daarop geen uitzondering. Dus niet veel later kwam ze ons achterop lopen, met Philou in haar kielzog. Met zijn vieren liepen we verder tot we bij het tuincentrum waren. En daar kwam net de fietsmevrouw aan rijden. Die heeft ook een zwak voor gratis.

Om gedoe te voorkomen gingen we in een winkelkar op de jassen van de twee zussen zitten. Ik als oudste ging voorop, Plexi in het kinderzitje en Philou als onze beschermelinge in het midden. Niet alleen Philou keek haar ogen uit. De mensen in het tuincentrum bleven stilstaan om naar ons te lachen of wezen ons na. We zagen er dan ook wel vertederend uit met kleine Philou aan boord te midden van haar twee stoere bodyguards.

Het tuincentrum was alweer in winterse sferen met dennenbomen, kerstmannen, hertenkoppen, kerstballen, notenkrakers en overige decoratie in allerlei kleuren. Af en toe stopten we even, zodat Philou de indrukken kon verwerken.

We naderden de dierenafdeling en ik had nog steeds niets gezien dat gratis was. Of zou er weer een buffet voor ons klaarstaan? Nu ik er zo over dacht kreeg ik best trek. De buffetten bij het tuincentrum zijn altijd goed verzorgd en zelfs als je geen trek hebt, ga je toch voor de bijl. Licht teleurgesteld constateerde ik dat er alleen een fotograaf stond. Hij had geen enkele snack bij zich en hij was niet erg aardig ook. Maar hij maakte dus wel gratis foto’s en onze vrouwtjes wilden van ons dus graag zo’n foto hebben, en het liefst ook eentje met z’n drieën.

Dat bleek veel makkelijker te zijn dan het in eerste instantie leek, want de fotograaf speelde heel erg vals. Hij maakte eerst van ons allemaal apart een foto en plakte ons toen naast elkaar in één foto. Tsja, zo kan iedereen wel een portret maken van ondeugende vlinderhondjes die niet meewerken als ze op de foto moeten. En we stonden er ook niet op ons allerleukst op, maar omdat het gratis was, pakten onze vrouwtjes de foto toch maar aan.

Jaren geleden had deze fotograaf eens een foto gemaakt van Joepie, het vorige hondje van mijn baasjes. Die foto hangt op een mooi plekje in onze woonkamer. Toen de fotograaf doorhad dat mijn vrouwtje bereid was te betalen voor een soortgelijke foto deed hij zijn uiterste best op mijn tweede foto, die we ingelijst meekregen. Met vier hondjes in de kar reden we verder, op zoek naar een leuk plekje voor onze eigen fotoshoot. En het vrouwtje maakte er weer een leuk filmpje van…

Klik hier als je geen filmpje ziet.

419. Trage Tocht Velsen-Zuid

Na drie weken Engelse steiltes bewandelen waren onze beentjes lekker los. Terug op Neerlands vlakke wegen was het of we zweefden. Van deze nieuwe conditie moesten we profiteren voordat ook in ons vaderland de herfst zou losbarsten en al onze wandelplannen zou wegspoelen.

De keuze viel op een zgn. Trage Tocht. In Velsen-Zuid, net onder de rook van Tata Steel. Ik weet niet hoe het mijn lezers vergaat, maar ik krijg bij Velsen visioenen van zware industrie, dampende schoorstenen en lange files voor de Velsertunnel. Niet echt ingrediënten voor een Trage Tocht.

Trage Tochten zijn namelijk wandelroutes die voor ongeveer driekwart over onverharde paden in vooral landelijke gebieden gaan, ver weg van de stadse hectiek.

De eerste verrassing was Velsen zelf. De 18e eeuwse oude dorpskern is een beschermd dorpsgezicht. Vroeger was het dorp veel groter, maar eerst doorkliefde het nieuwe Noordzeekanaal het dorp, en daarna verbreedde het kanaal iedere zoveel jaar een stukje, waardoor er een hoop moois onder de sloophamer verdween. Maar desondanks staan er ook nu nog prachtige gerenoveerde huizen en gebouwen, zoals het huis van de vroedvrouw en het statige raadhuis.

Voor veel huizen zaten mensen achter een tafel met koopwaar uit eigen huis, want het was net die dag jaarmarkt en dan doet blijkbaar iedereen mee. Pikten we dat toch ook mooi nog even mee. En het gaf een gezellige sfeer op straat.

Door een fietstunnel verlieten we het dorp. We stonden meteen in Velserbeek, een groot park in Engelse landschapsstijl met een dierenweide, vijvers, een volière en een muziektent. De route bracht ons door het park langs mooie lanen en onverharde bospaden naar buitenplaats Schoonenberg.

Het bos was vol bloeddorstige monsters. Grote en kleine, maar als ze loslopen vind ik ze allemaal een beetje eng en mijn baasjes inmiddels ook. Ik had me al zoveel mogelijk vermomd als een herfstkabouter, met takjes en afgevallen blaadjes in mijn vacht en zanderige zwarte poten, maar mijn baasjes waren er toch niet gerust op. Misschien kwam dat doordat ik alle honden uitschold die ik zag. Een dame op een bakfiets prees mijn vrouwtje. “Jij tilt ‘m dus ook op voor die grote bakbeesten? Kijk, ik heb mijn hondje hier verstopt.” Een kleine Yorkshire terriër zat gecamoufleerd tussen een paar dozen en tassen in de bakfiets. “Eén hap en ik heb geen hondje meer”, voegde de mevrouw eraan toe. Mijn vrouwtje beaamde het. Het is ook haar grootste angst.

“Aan het eind moeten we links”, zei het baasje. “Weet je het zeker? Dan lopen we zo het bos uit.” Samen bogen ze zich over het piepkleine kaartje dat ze van internet geplukt hadden. We keerden om en namen een bospad. Een half uur later bij een vijfsprong volgde hetzelfde ritueel. Als je normaal gesproken gemarkeerde wandelingen loopt, is wandelen met een beschrijving en een kaartje heel goed opletten. Maar gelukkig maken mijn baasjes er niet zo’n probleem van als ze niet exact de goede route lopen. Een ander paadje is vaak net zo mooi. Als we maar weer op een schappelijke tijd bij de auto zijn.

Dat zou nu waarschijnlijk wel lukken, want we waren voor de verandering al voor de middag ter plaatse. Zodoende waren we al bij buitenplaats Schoonenberg geweest en al genaderd tot buitenplaats Beeckestijn toen het tijd was voor de lunch.

Op een stenen bankje bij de vijver aten we broodjes en brokjes in het zonnetje dat inmiddels tevoorschijn was gekomen. Bij de tweede buitenplaats bleven we niet al te lang hangen, want er was net een bruiloft aan de gang. En niet iedereen vindt een bruidsreportage met mij erop leuk….

We namen nog een kijkje bij de strak aangelegde tuinen, maar in deze tijd van het jaar bloeit er niet veel meer, dus het was niet heel erg dat ik daar niet in mocht. Via kronkelige paadjes die fout leken, maar toch goed waren kwamen we uiteindelijk na 8,5 km weer terug in Velsen. Het was niet zo avontuurlijk als in Engeland, maar wel gezellig en een heel stuk dichter bij huis.

418. Dogfriendly

Toen ik in februari in Londen was had ik het idee dat de Engelsen hun land liever huisdiervrij houden. Er liepen nagenoeg geen honden op straat en al helemaal niet in de metro, ik kon nauwelijks ergens plassen en ik mocht bijna nergens in.

Hoe anders is het hier, op het stille platteland. Overal zijn honden, overal staan drinkbakken, overal verkopen ze hondenijs, en overal zitten plakkaten op de ramen: dogfriendly of dogs welcome. Ook bij restaurants en bij bakkerswinkels. En in Durham was ik zelfs welkom in de kerk!

Normaal gaat het baasje in zijn eentje naar binnen als er ergens een mooie kerk staat en wacht ik met het vrouwtje buiten. Mijn vrouwtje houdt niet zo van de pronkstukken in veel van die kerken, dus het is geen straf om samen te wachten. Maar nu kwam het baasje wel heel snel terug. “Scotty mag ook mee naar binnen! En de toegang is gratis!”

Het was best fris en winderig op de heuvel waar de kathedraal stond dus we besloten mee te gaan. Omdat een gift wel welkom was en we ook niet van ons laatste geld op vakantie waren doneerden mijn baasjes het voorgestelde richtbedrag. “En de hond?” vroeg de bijdehante kassamedewerker. Maar je hoefde alleen wat te betalen als je wat kon missen, en aangezien ik geen inkomen heb, liep ik gratis verder.

We liepen stil door de indrukwekkende ruimtes. De glas-in-lood ramen waren prachtig, de zuilen waren prachtig, de plafonds waren prachtig, het was heel bijzonder allemaal. Terwijl het baasje voor in de kerk ging kijken ging ik met het vrouwtje in één van de banken zitten. Onvoorstelbaar dat dit bijna 1000 jaar geleden gebouwd werd. Zonder hijskranen en handige boormachines, zoals de mensen die nu hebben. Ze deden er dan wel 30 jaar over, maar toch. En geld voor al dat handwerk was blijkbaar ook geen probleem. Of zouden ze toen ook al fancy fairs en stroopwafelacties gehouden hebben om geld binnen te halen?

Op weg naar de kathedraal

We zouden net weggaan toen het orgel begon te spelen. Een enorm geluid vulde de grote ruimte en trilde tegen de pilaren. We bleven dus nog even, waardoor we ook de koorknapen (en meisjes en oudere mannen) nog hoorden. Al met al bleven we bijna 2 uur in de kathedraal. Toen we buiten kwamen was de zon weg en waren de winkels dicht.

En zo heb ik deze reis heel veel gezien en ondernomen, veel meer dan op onze warme vakanties. Want steeds zocht het vrouwtje op waar het het droogst, warmst of zonnigst was en daar gingen we dan heen. We wandelden heel wat kilometers weg en dat was heerlijk. Natuurlijk waren de dagen dat het overal regende de minst leuke, maar dan konden we fijn uitslapen en een beetje hangen. En daar rust je ook lekker van uit.

Op de foto met een bekende in Penrith

Maar aan alle dingen komt een eind en zeker aan vakanties. Dat valt niet altijd mee, maar in de wijde omgeving van Nenthead brak de laatste paar dagen opeens een derdegraads herfst aan en thuis was het volgens de fietsmevrouw nog heerlijk weer (wat nu inmiddels wel anders is…). Ik kreeg toch wel weer zin om naar huis te gaan.

Het was een lange rit terug naar Folkestone, en in de kanaaltunnel was het vreselijk saai, maar toen ik na al die kilometers eenmaal weer de geur in onze straat rook, de grassprietjes in het parkje onder mijn voeten voelde en ons eigen warme huis binnen kwam, was ik blij dat ik weer thuis was. Om met de Engelsen te spreken: home sweet home!

Met een filmpje voor de echte fans 😃