De trein van 7u34 naar Brussel-Centraal is nog zo’n weemoedig oud model. Daar waar de andere toestellen op de lijn reeds vervangen zijn door nieuwe dubbeldekkers, verwelkomt de 7u34 je iedere ochtend met zijn grauw, oranje-geel neonlicht. Op de bruine zetels is al meer gezeten dan op eender wat of wie, de vuilbakjes zijn er altijd overvol en de grond voelt steeds korrelig aan. De perfecte plaats voor een excursie Aardrijkskunde over de verschillende soorten bodemlagen en hun korrelvarianten.
De trein van 7u34 naar Brussel-Centraal, richting Landen, heeft zijn vaste schare fans. Ja, je bent langer onderweg en ja, hij is vuil; maar er hangt een soort van rust over de trein. Als je ’s morgens een hekel hebt aan gejoel en geschetter, en nasoezen is wat je wilt, wel, deze trein heeft het. Voor je het weet word je opgenomen in de familie en krijg je jouw eigen, vaste zitplaats. En toch, niet zomaar.
Voor mijn vakantiewerk diende ik elke weekdag naar Brussel te gaan. Aan files heb ik een bloedhekel en dus werd het de trein. De trein moet zowat de eerlijkste manier van reizen zijn. Langs weilanden op het platteland, de tuintjes in de dorpen en de vaak lelijke achtergevels eens je de steden nadert. Een beetje zoals binnenkomen langs de garagedeur.
Dan zie je ook meteen alle rommel. Heel fair noem ik dat. Eind augustus nam ik voor de eerste maal de trein naar Brussel-Centraal. Vertrekken om 7u27 en aankomen om 8u02; ideaal. Naar gewoonte kon ik bij aankomst op het perron nog net zwaaien naar de laatste locomotieven van de zich steeds verder verwijderende trein. Zo was ik genoodzaakt de volgende trein te nemen, deze van 7u34. Omdat ik ook de tweede dag nét te laat arriveerde, werd de 7u34 een gewoonte. Het moet de vierde pendeldag geweest zijn dat ik opstapte aan de voorlaatste wagon. Ik zette mij naast een grijze vijftiger met snor. Tegenover mij zat een jonge dertiger met sneakers en naast hem een nette vrouw in mantelpak van ongeveer dezelfde leeftijd. Ongeveer halfweg de rit vroeg de oude man ietwat bot ‘waarom ik op de trein zat’. In mijn hoofd had ik hem met een ‘onder de trein zou nogal pijnlijk zijn’ van antwoord gediend. Maar ik ben een beleefde jongen, dus vertelde ik hem dat ik een maand lang ging vakantiejobben in Brussel. Administratief werk bij de overheid. Bijverdienen en toch niet te zwaar werken. “Ik zal morgen plaats voor je houden”, bood de dan toch niet zo onvriendelijke man naast mij bij het binnenrijden van Brussel-Centraal aan. Ik bedankte en stapte af.
Vrijdag. Opnieuw besteeg ik de voorlaatste wagon en jawel, daar had de oude man plaats en woord gehouden. Ook de dertiger met sneakers en dame met mantelpakje -al had ze deze keer een witte bloes en zwarte rok aan- zaten opnieuw op de bank tegenover de mijne. Rudy was er 59, vertelde hij mij. Sinds zijn zeventiende aan de slag in het hoofdverdeelcentrum van De Post, of B-Post zoals dat nu heet. Zijn baan omschreef hij als volgt: “Wat ze nu een Personal Manager noemen”. Maar mijn vermoeden is groot dat hij eigenlijk ‘personeelsmanager’ bedoelde. De man die rest van de maand tegenover mij zou zitten was Steven. Maar in mijn hoofd heet hij nog steeds Bert; een naam die veel beter bij hem paste. Steven, of Bert, werkte bij de Vlaamse Overheid. Een gewone ambtenaar die zijn middagpauze vulde met lopen in het park, vandaar de sportschoenen. Blijkbaar kon hij zich op het werk verfrissen. Gelukkig douchte hij zich ook ’s ochtends, in tegenstelling tot anderen op de trein. Dat heeft iedereen van ons wel als eens meegemaakt, de gore Marina met buffalo’s die zich naast jou komt nestelen, geurend naar natte hond. En ik hou al niet van honden. We wijken af.
“Waarom neem je dan niet gewoon je sportschoenen mee in je rugzak?”; vroeg ik. Een delicate vraag besefte ik snel. Steven had mij niet verteld dat zijn treinschoeisel ook zijn loopschoenen waren, ik had het enkel verondersteld. “Dat zeg ik hem ook al láng”, pikte Geertrui in. Geertrui was de dame die elke morgen schuin tegenover mij zat. Ze was altijd lichtjes klassiek, maar heel net aangestoken. Waar zij werkte ben ik echter nooit te weten gekomen. Meestal vulde ze haar tijd met lezen: ‘Alles waar ik spijt van heb’ door Philippe Claudel. Maar voor één keer richtte ze haar hoofd op en zei: “Dat zeg ik hem ook al láng”. Al tien jaar waren ze getrouwd, Steven en Geertrui. Ze hadden elkaar leren kennen in Spa, op een trouwfeest van gemeenschappelijke vrienden. Getrouwd in de augustusmaand en op huwelijksreis geweest naar Zuid-Frankrijk. Kinderloos. De liefde was ver te zoeken als je die twee daar zo zag zitten. Had ik geen woord gerept over de sportschoenen was ik vast nooit te weten gekomen dat zij twee man en vrouw waren. Zij vond ze lelijk, zijn sportschoenen, hij vond ze gemakkelijk en dus droeg hij ze ook tijdens de kantooruren. “Het werk is geen modeshow”, aldus Steven. Geertrui draaide een pagina om.
Gedurende week twee viel mij op dat nog andere treinreizigers een vaste stek hadden in de voorlaatste wagon van deze kroegtrein. In het bijzonder sprong een groepje van drie mensen in het oog. Twee mannen en één vrouw zaten steeds weer langs de kant van het spoor, op één bank verwijdert van de wagondeur. Altijd, iedere dag. Twee van hen hadden net als mij Brussel-Centraal als eindbestemming. Ik had opgemerkt dat ze, ondanks die ene vrije zitplaats, nooit iemand lieten zitten. Die was voor vragenden bezet, maar er kwam geen vierde man. Nooit.
De vrouw schatte ik eind de twintig. Ze viel op door haar sneeuwwitte huid en zwarte mascara. Ze zag er blijkbaar geen graten in om haar lange blonde haren te drogen voor ze naar het werk vertrok. Ze droeg een opvallende oude ring met een rode edelsteen; vast een familiestuk dacht ik. Hoewel ze naar mijn persoonlijke smaak niet onknap was zag ze er toch ietwat afgeleefd uit. De man naast haar, aan het venster, had een normaal uiterlijk. Begin de dertig, kort bruin haar, standaard aangekleed met hemd en pullover. De derde metgezel tegenover hem, ook een vroege dertiger, had steeds een lange bruine jas aan. Het zag er een afgesleten en warm ding uit. Hoewel het volop zomer was, hield hij die jas steevast aan. Het moet gezegd dat het vooral druilerige weken waren in augustus. Maar koud? Neen, dat niet. De drie praatten geregeld met elkaar, maar nooit met veel enthousiasme. Het was Rudy niet ontgaan dat ik de drie in de gaten hield. “Die drie daar, dat zijn nu de rare vogels van onze trein. De halve moordenaars; of wat was het nu weer Steven?”
Ook op mijn vakantiewerk was ik niet lang een onbekende. Als ‘de nieuwe van ’t zesde’ kwam ik de dag door. Iedere morgen vriendelijk begroet met een ‘BOEREEEUHH’-kreet van Franck. Hoewel ik de eerste keer mijn kleding in vraag had gesteld, besefte ik al snel dat zijn geroep meer te maken had met feit dat ik Club Brugge-supporter was, terwijl hij paars-wit een warm hart toedroeg. Hij vond het dan ook nodig om mij bij elke koffiepauze –waterpauze voor mezelf- uit te horen over de stand van zaken bij mijn favoriete ploegje. Daar kon ik wel mee leven de eerste week. Immers kende ik toch nog niemand anders. De tweede week was het nog net aanvaardbaar, maar daarna werd het ronduit vervelend. Het was ook tijdens mijn waterpauze dat ik Erika leerde kennen.
Ondertussen was ik gedurende mijn ochtendlijke treinreizen al heel wat wijzer geworden over het trio kant spoor. Steven, de sportieve ambtenaar, voerde het woord. Sylvie deelde haar Gents appartement met haar zwarte kater. Wannes vertoefde ook in het Gentse, niet ver van de Brugse Poort. Ergens in een klein rijhuisje, alleen. De derde vrijgezel, Ludovic met de lange bruine jas, woonde in hartje Brugge. Samen gebonden door één onuitwisbare inktvlek in hun leven. Elk hadden ze volgens de overlevering de dood van iemand op hun geweten. Onrechtstreeks of onopzettelijk, maar zo voelde het voor hen niet aan. Wat hen ook de naam pseudomoordenaars bezorgde. Rudy zei dat ze zichzelf zo noemden, maar Rudy was niet de meest betrouwbare persoon. “Ja, echt, ze kweken bananen in Oostende! Zoek maar eens in de winkel!” Hm, juist ja.
Sylvie was Germaniste van opleiding en groeide op in een gezin van vier in Gooik. In haar tweede jaar Germaanse aan de UGent mocht ze een deel van haar zomer opofferen voor drie herexamens. Op een broeihete zomeravond halfweg augustus was Sylvie dan ook vlijtig aan het studeren. De ouders waren een weekje naar Zuid-Frankrijk, dus Sylvie stond in voor de was en de plas en dus ook voor haar 16-jaar oude zus Evelien, al noemde iedereen haar Eefje. Bovenop de examenstress nog eens een puberende tiener, geen cadeau. Broeierige zomeravonden gaan hand in hand met zomerfuiven –zweterige lijven en een stevige ‘Walk on Water’ om iedereen compleet los te laten gaan- en een Belgisch onweer uiteraard. Evelien had haar oudere zus dan ook gevraagd of ze haar naar de fuif wou brengen. Het zou immers zeker regenen die nacht. Stofzuigen, badkamer kuisen en studeren. Geen tijd voor de zus te voeren, no way. Dus ging Evelien met de fiets naar de fuif. Omstreeks 2u ’s nachts barstte het verwachte onweer los. Toen het om 3u buiten nog raasde rinkelde de telefoon ten huize Sylvie. Eefje om te vragen of de grote zus haar misschien toch niet kon komen halen? Het leek namelijk niet meteen te gaan stoppen met regenen. “Je hebt mij nu al wakker gebeld en ik moet morgen vroeg op hoor! Wacht nog even, het zal wel stoppen. Je bent nu met de fiets, anders moet ik morgen nog je fiets gaan halen ook zeker? Zover is het nu ook weer niet hé. Wacht tot het stopt met regenen en kom dan naar huis. Oké? En laat mij nu slapen!”
En dus wachtte Evelien nog even tevergeefs om dan samen met een vriendin toch door de dichte regen naar huis te fietsen. Om 6 uur ’s morgens ging de deurbel. Het kalf had zeker haar sleutel vergeten! Althans, dat dacht Sylvie. “Mevrouw, mogen wij even binnenkomen?” zei de man in blauw vergezeld door een vrouw. “Dit is Martine, zij werkt voor slachtofferhulp.” Het begon te dagen. “Uw zus is vannacht overleden”. Een donderslag bij heldere hemel deze keer. Aangereden door een personenwagen, een Fiat. De twee vriendinnen niet gezien door de dichte regen. 13 augustus 2001, 13/8, een onuitwisbare datum in het leven van Sylvie.
Erika werkte op de vijfde verdieping en was er 27, waarmee ze meteen ook de jongste collega was die ik ontmoet had. En vast ook de normaalste. Een dynamische persoonlijkheid in een vastgeroest geheel. Groot was haar opluchting toen ze eindelijk iemand over haar reis door Centraal- en Zuid-Amerika kon vertellen. Dat wil zeggen, iemand die wist waar Honduras, Nicaragua en Costa Rica zich op de wereldkaart bevonden. (Neen Franck, Honduras is geen Afrikaans land.) Daar had ze met een vriend en een vriendin twee maand vertoefd. Ze carpoolde naar het werk, maar binnenkort zou ze eens met de trein gaan. Verlof van haar (mede)chauffeur. Dan zouden we elkaar gezelschap houden op weg naar het werk. Ik kan het mij verbeelden, maar ze leek echt ontgoocheld toen ik haar vertelde dat ‘de nieuwe van het zesde verdiep’, ik dus, maar een tijdelijke was. Net nu ze een werkmaatje gevonden had. De band was er wel. Een mens leert een ander wel kennen als men vijf uur samen in een geblokkeerde lift doorbrengt. Jawel, week twee, op een dinsdagochtend. Tot een passionele vrijscène kwam het niet, maar het werd toch even warm toen we bij het thema ‘de eerste kus’ kwamen. Dé ontgoocheling van haar jeugd vertelde ze. Een natte, smaakloze kus op een chirofuif ter afsluiting van het kamp. Ik haalde herinneringen boven van mijn eigen chiro- en jeugdkampen. Daar werd wel eens braaf gezoend. Maar waar ik mijn eerste kus op de mond heb gegeven en gekregen kan ik mij niet meer herinneren. Dat zegt misschien genoeg over hoe onmemorabel het wel niet moet geweest zijn. Wel vertelde ik Erika over Elien. De jeugdliefde waar ik in het zesde leerjaar toch enkele maanden mee samen was, en waarmee ik mij het zoenen wel nog herinner. Kussen aan de bushalte. Oprecht mooie tijden.
Ludovic, jongste van drie kinderen, was vroeger een flierefluiter, maar wel een intelligente. Als student Burgerlijk Ingenieur in Brussel haalde hij zonder veel moeite hoge punten. Waardoor hem veel tijd restte om het nachtleven volop te beleven. Hoewel hij er een losbandige levensstijl op nahield, bleef hij trouw aan zijn vriendinnetje uit het middelbaar. Zij studeerde echter in Leuven, en dus pendelde ze vaak over en weer. Ludovic, Ludo of Vic voor de maten, ontdekte een nieuwe wereld. De idealen van de sixties hadden zich via de dampen van de opeenvolgende joints in zijn hersenen genesteld. Hij deelde dan ook alles met iedereen. Toen vriendin Tina overkwam voor een nachtje Brussel was er een heus feestje gepland. Drugs uit het Ruhrgebied en zelfgestookte drank. Natuur primeert. Die avond vloeide de drank rijkelijk, als in een bijbels verhaal. Na het uitproberen van allerhande pillerij ging het dak er helemaal af. Vic was na enkele uren wel verzadigd en keerde, ijl in het hoofd, huiswaarts. Tina keerde nooit meer terug. Wanneer Vic de volgende dag bij zijn vrienden te rade ging kon slechts een enkeling zich nog vaag herinneren dat Tina op een bepaald moment ook naar zijn kot was teruggewandeld. Omstreeks welk uur wist hij niet meer. Onbereikbaar op haar gsm, de vriendinnen die van niets wisten en ook in de verschillende ziekenhuizen was er geen Tina Maertens opgenomen. Dan maar naar de ouders bellen… Niets. Enkele dagen later werd Tina teruggevonden in een sluis van de Zenne. Twee grote hoofdwonden stelde de wetsdokter vast. Een uit de hand gelopen overval (?). Het deed Vic van zijn idealistische wolk afdalen, en zijn ‘kruidentuintje’ werd prompt bij het groot huisvuil gezet. Dertien maand en acht dagen, zolang was het koppel samen geweest.
Erika was alleen. Dat vertelde ze mij tijdens één van onze middagpauzes. Ze overwoog om een poes in huis te nemen, maar daar liet ik mijn duidelijke afkeer over blijken. Genoeg voorbeelden van mensen die hun poes als hun halve wederhelft gingen beschouwen. Akelig. Maar zolang ze maar geen hond in huis nam wilde ik mijn zegen wel geven. Naar wat ik hoorde was haar appartement bemeubeld met Ikeamateriaal. De muren gedecoreerd met foto’s van haar reizen en een sanseveria op de venstertablet. Ze had hem willen weggooien na het zien van dezelfde plant in ‘De Helaasheid der Dingen’, maar ze kreeg het niet over haar hart. Ze kookte graag, maar ze nodigde nooit vrienden uit voor een etentje. Dat kon ook niet, want ze had slechts een tweepersoonstafeltje. Waarom een grote tafel kopen als je alleen bent? Ze leek overtuigd van haar gelijk, dus knikte ik maar bevestigend. Erika was niet altijd alleen geweest. Haar jeugdliefde had haar in de steek gelaten toen hij haar ongewenst had zwanger gemaakt. Die verdomde jeneveravond. Negentien was ze toen, en vastberaden om het kind te houden. Maar ze kreeg een miskraam, vertelde ze alsof het een fait divers was. Ik veegde de restjes krabsalade uit mijn mondhoeken, terwijl ik zag hoe Erika ineenkromp.
Na de pauze ging Erika al snel naar huis, ziek zei men mij. De rest van de week bleef ze afwezig. Vast de krabsalade.
Wannes was het meest recente lid van de bende wist Steven mij te vertellen. Als nieuwbakken monitor van de Christelijke Mutualiteit met de twaalfjarigen naar Ardèche in Frankrijk. Overdag wat spelletjes doen met de kinderen en ’s avonds pintelieren met de medemoni’s. Wannes zag het helemaal zitten. Op de zevende dag stond een dagje kajak varen op het programma. Het had de weken daarvoor stevig geregend, dus er stond flink wat water in de Ardèche. “Je pense que c’est trop dangereux pour les enfants”, had de verhuurder gezegd. Maar onder impuls van Wannes en bij gebrek aan alternatieve activiteit die dag werd er besloten om toch het water op te gaan. De eerste twee uren ging alles zonder noemenswaardige problemen. Op zo’n drie kilometer van het einde moest de volledige groep links houden, dat was zo aangegeven door de verhuurder. De route rechts leidde uiteindelijk tot hetzelfde eindpunt, maar door het hoge waterpeil kon de stroming daar weleens gevaarlijk zijn. Wannes peddelde een eindje voorop met de drie stoerste jongens van de groep met de rode sjaaltjes, en bij uitbreiding van het hele kamp. “Leider mogen wie niet rechts gaan? Dat ziet er veel leuker uit! Alé, please leider!”. Wannes twijfelde. Een uitstekend kajakker als hij zou eventuele problemen toch wel aankunnen? Boven, niemand zou het merken. Eén van de jongens had echter al voor Wannes beslist, waardoor er niks anders opzat dan die weg te volgen. Kwaad was Wannes niet. Nu was het tenminste niet zijn schuld dat ze rechts waren gevaren.
Toen Nicolas, nochtans de behendigste jongen van de drie, plots omkantelde sloeg de paniek toe. Wannes had de fout gemaakt vóór de jongens uit te peddelen. Hij had gedacht zo te kunnen tonen langs welke weg ze moesten ‘afdalen’. Puber zijnde volgde Nicolas de uitgestippelde weg natuurlijk niet, en daar lag hij dan. Kajak schuin geklemd tussen twee rotsen, Nicolas geklemd tussen kajak en rots en met enige moeite het hoofd boven water houdend. Natuurlijk hoorde Wannes de jongen schreeuwen, ja hij zag het probleem. Maar de jongen lag áchter hem. Wannes peddelde met alle kracht tegen de stroming in, maar kwam slechts centimeter per centimeter vooruit. De oevers op die plaats waren te stijl om zomaar even uit het water te klauteren. Schreeuwen, tieren, brullen om hulp. Blijven peddelen tegen de stroom in of hopen dat er iets verder een minder stijle wand was om uit te klimmen en zo terug te lopen? Maar hij was alleen. De twee andere jongens waren intussen weggedragen door de sterke stroming. Zij beiden wel nog in hun kajak. Althans dat hoopte Wannes toch. Na een tijdje kwam de kajak van Nicolas eindelijk los, net zoals de intussen bewusteloze Nicolas zelf. Wannes viste de voorbijdrijvende jongen uit het water en probeerde hem terug bij zijn positieve te brengen. Wat niet meteen lukte. Koortsachtig zocht Wannes naar een stukje land waar hij de eerste hulp kon toedienen. Hoelang het geduurd had vooraleer hij lapje grond langs de waterkant had gevonden weet hij zelf ook nog steeds niet. Eens Nicolas op de rug gelegd, kon Wannes wat hij geleerd had tijdens de EHBO-cursus toepassen. En zichzelf vervloeken dat hij toen niet beter had opgelet. Mond-op-mondbeademing en ritmisch duwen op de buik, dat was het plan. Toen er eindelijk hulp arriveerde, gealarmeerd door de twee andere jongens die intussen de anderen waren tegengekomen bij de samensmelting van de twee rivierdelen, had het noodlot al toegeslagen. Overlijden officieel vastgesteld om 13u08. Een abrupt einde van het CM-kamp in de Ardèche.
Jaarlijks vertelden het drietal hun verhaal aan elkaar. Om de gedachte vers te houden en stiekem misschien ook uit hoop dat er een vierde lotgenoot hun gedempt gesprek afluisterde. Elk op de dag dat het gebeurde. Elkaar hadden ze trouw beloofd. Als één iemand het licht uitdoet, of naar het licht gaat, zoals je het zelf maar wil zien; dan gaat de rest mee. Alleen waren ze zelf te laf om die laatste stap te zetten. Ze wilden gaan op dezelfde manier zoals zij hun slachtoffers hadden omgebracht: ongelukkig toeval. Toeval moest hen dat laatste duwtje geven. Wagon 138 was de sleutel. Het getal dat hen voor elkaar voorbestemd maakte. Ik merkte dat de nummering van de wagons steeds rond de hoge tientallen draaide. 116, 117, 119; één keer 124. Het zag er niet naar uit dat er meteen een einde zou komen aan hun treinritten.
In de voorlaatste week nam Erika dan toch eens de trein, net voor het verlengde weekend door een feestdag op vrijdag. Omdat ik haar al verteld had van de drie ‘losse vijzen’ in mijn wagon, en ze die wel eens wou zien, zou ik haar bellen eens ik op de trein zat. Het was al van bij de ochtend een doorweekte donderdag. Een paraplu was al helemaal nutteloos bij zoveel wind. Doordrenkt van die zomermoesson stapte ik de trein op en zocht mijn gebruikelijke wagon op. Nadat ik mijn vaste treinvriendjes van ‘het bezoek’ had verteld, waardoor ik die dag niet bij hen zou zitten, belde ik Erika op. Ik zei haar dat ze naar de voorlaatste wagon moest komen, dat ik haar een plaats zou houden, wat ik ook deed. En hoewel het een overbodige vraag was, vroeg ze het toch: “wat is je wagonnummer?”. “138”, zei ik.
Mijn ogen schoten naar het drietal, waar ik de blik vond van de blonde dame. Ze keek me aan zoals ze eigenlijk altijd keek. Holle blik. Ze draaide haar hoofd om het nummer te controleren en staarde mij opnieuw aan. Ik besefte de gewichtigheid van dat ene getal. Die rit was ik niet de meest babbelende treinpartner voor Erika.
Mijn laatste werkweek startte traditiegetrouw op maandag. Ik had vrijdag nog wakker gelegen van het voorval, maar barbecues op zaterdag en zondag hadden mijn gedachten verzet. Althans tot ik de treinwagon binnenstapte en de volledig lege zitbank zag. Een zitbank die normaal altijd gevuld was. Mijn ogen schoten naar Rudy, weer naar de bank en nu naar Steven. Zou het…?
Ik heb nu een nieuwe zitplaats op de trein. Als u naar Brussel moet kan u mij vervoegen, drie personen maximum. De voorwaarden zijn gekend.
–