De trein naar Brussel-Centraal

 

De trein van 7u34 naar Brussel-Centraal is nog zo’n weemoedig oud model. Daar waar de andere toestellen op de lijn reeds vervangen zijn door nieuwe dubbeldekkers, verwelkomt de 7u34 je iedere ochtend met zijn grauw, oranje-geel neonlicht. Op de bruine zetels is al meer gezeten dan op eender wat of wie, de vuilbakjes zijn er altijd overvol en de grond voelt steeds korrelig aan. De perfecte plaats voor een excursie Aardrijkskunde over de verschillende soorten bodemlagen en hun korrelvarianten.

De trein van 7u34 naar Brussel-Centraal, richting Landen, heeft zijn vaste schare fans. Ja, je bent langer onderweg en ja, hij is vuil; maar er hangt een soort van rust over de trein. Als je ’s morgens een hekel hebt aan gejoel en geschetter, en nasoezen is wat je wilt, wel, deze trein heeft het. Voor je het weet word je opgenomen in de familie en krijg je jouw eigen, vaste zitplaats. En toch, niet zomaar.

 

 

 

Voor mijn vakantiewerk diende ik elke weekdag naar Brussel te gaan. Aan files heb ik een bloedhekel en dus werd het de trein. De trein moet zowat de eerlijkste manier van reizen zijn. Langs weilanden op het platteland, de tuintjes in de dorpen en de vaak lelijke achtergevels eens je de steden nadert. Een beetje zoals binnenkomen langs de garagedeur. Dan zie je ook meteen alle rommel. Heel fair noem ik dat. Eind augustus nam ik voor de eerste maal de trein naar Brussel-Centraal. Vertrekken om 7u27 en aankomen om 8u02; ideaal. Naar gewoonte kon ik bij aankomst op het perron nog net zwaaien naar de laatste locomotieven van de zich steeds verder verwijderende trein. Zo was ik genoodzaakt de volgende trein te nemen, deze van 7u34. Omdat ik ook de tweede dag nét te laat arriveerde, werd de 7u34 een gewoonte. Het moet de vierde pendeldag geweest zijn dat ik opstapte aan de voorlaatste wagon. Ik zette mij naast een grijze vijftiger met snor. Tegenover mij zat een jonge dertiger met sneakers en naast hem een nette vrouw in mantelpak van ongeveer dezelfde leeftijd. Ongeveer halfweg de rit vroeg de oude man ietwat bot ‘waarom ik op de trein zat’. In mijn hoofd had ik hem met een ‘onder de trein zou nogal pijnlijk zijn’ van antwoord gediend. Maar ik ben een beleefde jongen, dus vertelde ik hem dat ik een maand lang ging vakantiejobben in Brussel. Administratief werk bij de overheid. Bijverdienen en toch niet te zwaar werken. “Ik zal morgen plaats voor je houden”, bood de dan toch niet zo onvriendelijke man naast mij bij het binnenrijden van Brussel-Centraal aan. Ik bedankte en stapte af.

 

Vrijdag.  Opnieuw besteeg ik de voorlaatste wagon en jawel, daar had de oude man plaats en woord gehouden. Ook de dertiger met sneakers en dame met mantelpakje -al had ze deze keer een witte bloes en zwarte rok aan- zaten opnieuw op de bank tegenover de mijne. Rudy was er 59, vertelde hij mij. Sinds zijn zeventiende aan de slag in het hoofdverdeelcentrum van De Post, of B-Post zoals dat nu heet. Zijn baan omschreef hij als volgt: “Wat ze nu een Personal Manager noemen”. Maar mijn vermoeden is groot dat hij eigenlijk ‘personeelsmanager’ bedoelde. De man die rest van de maand tegenover mij zou zitten was Steven. Maar in mijn hoofd heet hij nog steeds Bert; een naam die veel beter bij hem paste. Steven, of Bert, werkte bij de Vlaamse Overheid. Een gewone ambtenaar die zijn middagpauze vulde met lopen in het park, vandaar de sportschoenen. Blijkbaar kon hij zich op het werk verfrissen. Gelukkig douchte hij zich ook ’s ochtends, in tegenstelling tot anderen op de trein. Dat heeft iedereen van ons wel als eens meegemaakt, de gore Marina met buffalo’s die zich naast jou komt nestelen, geurend naar natte hond. En ik hou al niet van honden. We wijken af.

 

“Waarom neem je dan niet gewoon je sportschoenen mee in je rugzak?”; vroeg ik. Een delicate vraag besefte ik snel. Steven had mij niet verteld dat zijn treinschoeisel ook zijn loopschoenen waren, ik had het enkel verondersteld. “Dat zeg ik hem ook al láng”, pikte Geertrui in. Geertrui was de dame die elke morgen schuin tegenover mij zat. Ze was altijd lichtjes klassiek, maar heel net aangestoken. Waar zij werkte ben ik echter nooit te weten gekomen. Meestal vulde ze haar tijd met lezen: ‘Alles waar ik spijt van heb’ door Philippe Claudel. Maar voor één keer richtte ze haar hoofd op en zei: “Dat zeg ik hem ook al láng”. Al tien jaar waren ze getrouwd, Steven en Geertrui. Ze hadden elkaar leren kennen in Spa, op een trouwfeest van gemeenschappelijke vrienden. Getrouwd in de augustusmaand en op huwelijksreis geweest naar Zuid-Frankrijk. Kinderloos. De liefde was ver te zoeken als je die twee daar zo zag zitten. Had ik geen woord gerept over de sportschoenen was ik vast nooit te weten gekomen dat zij twee man en vrouw waren. Zij vond ze lelijk, zijn sportschoenen, hij vond ze gemakkelijk en dus droeg hij ze ook tijdens de kantooruren. “Het werk is geen modeshow”, aldus Steven. Geertrui draaide een pagina om.

 

Gedurende week twee viel mij op dat nog andere treinreizigers een vaste stek hadden in de voorlaatste wagon van deze kroegtrein. In het bijzonder sprong een groepje van drie mensen in het oog. Twee mannen en één vrouw zaten steeds weer langs de kant van het spoor, op één bank verwijdert van de wagondeur. Altijd, iedere dag. Twee van hen hadden net als mij Brussel-Centraal als eindbestemming. Ik had opgemerkt dat ze, ondanks die ene vrije zitplaats, nooit iemand lieten zitten. Die was voor vragenden bezet, maar er kwam geen vierde man. Nooit.

De vrouw schatte ik eind de twintig. Ze viel op door haar sneeuwwitte huid en zwarte mascara. Ze zag er blijkbaar geen graten in om haar lange blonde haren te drogen voor ze naar het werk vertrok. Ze droeg een opvallende oude ring met een rode edelsteen; vast een familiestuk dacht ik. Hoewel ze naar mijn persoonlijke smaak niet onknap was zag ze er toch ietwat afgeleefd uit. De man naast haar, aan het venster, had een normaal uiterlijk. Begin de dertig, kort bruin haar, standaard aangekleed met hemd en pullover. De derde metgezel tegenover hem, ook een vroege dertiger, had steeds een lange bruine jas aan. Het zag er een afgesleten en warm ding uit. Hoewel het volop zomer was, hield hij die jas steevast aan. Het moet gezegd dat het vooral druilerige weken waren in augustus. Maar koud? Neen, dat niet. De drie praatten geregeld met elkaar, maar nooit met veel enthousiasme. Het was Rudy niet ontgaan dat ik de drie in de gaten hield. “Die drie daar, dat zijn nu de rare vogels van onze trein. De halve moordenaars; of wat was het nu weer Steven?”

 

Ook op mijn vakantiewerk was ik niet lang een onbekende. Als ‘de nieuwe van ’t zesde’ kwam ik de dag door. Iedere morgen vriendelijk begroet met een ‘BOEREEEUHH’-kreet van Franck. Hoewel ik de eerste keer mijn kleding in vraag had gesteld, besefte ik al snel dat zijn geroep meer te maken had met feit dat ik Club Brugge-supporter was, terwijl hij paars-wit een warm hart toedroeg. Hij vond het dan ook nodig om mij bij elke koffiepauze –waterpauze voor mezelf- uit te horen over de stand van zaken bij mijn favoriete ploegje. Daar kon ik wel mee leven de eerste week. Immers kende ik toch nog niemand anders. De tweede week was het nog net aanvaardbaar, maar daarna werd het ronduit vervelend. Het was ook tijdens mijn waterpauze dat ik Erika leerde kennen.

 

Ondertussen was ik gedurende mijn ochtendlijke treinreizen al heel wat wijzer geworden over het trio kant spoor. Steven, de sportieve ambtenaar, voerde het woord. Sylvie deelde haar Gents appartement met haar zwarte kater. Wannes vertoefde ook in het Gentse, niet ver van de Brugse Poort. Ergens in een klein rijhuisje, alleen. De derde vrijgezel, Ludovic met de lange bruine jas, woonde in hartje Brugge. Samen gebonden door één onuitwisbare inktvlek in hun leven. Elk hadden ze volgens de overlevering de dood van iemand op hun geweten. Onrechtstreeks of onopzettelijk, maar zo voelde het voor hen niet aan. Wat hen ook de naam pseudomoordenaars bezorgde. Rudy zei dat ze zichzelf zo noemden, maar Rudy was niet de meest betrouwbare persoon. “Ja, echt, ze kweken bananen in Oostende! Zoek maar eens in de winkel!” Hm, juist ja.

 

Sylvie was Germaniste van opleiding en groeide op in een gezin van vier in Gooik. In haar tweede jaar Germaanse aan de UGent mocht ze een deel van haar zomer opofferen voor drie herexamens. Op een broeihete zomeravond halfweg augustus was Sylvie dan ook vlijtig aan het studeren. De ouders waren een weekje naar Zuid-Frankrijk, dus Sylvie stond in voor de was en de plas en dus ook voor haar 16-jaar oude zus Evelien, al noemde iedereen haar Eefje. Bovenop de examenstress nog eens een puberende tiener, geen cadeau. Broeierige zomeravonden gaan hand in hand met zomerfuiven –zweterige lijven en een stevige ‘Walk on Water’ om iedereen compleet los te laten gaan- en een Belgisch onweer uiteraard. Evelien had haar oudere zus dan ook gevraagd of ze haar naar de fuif wou brengen. Het zou immers zeker regenen die nacht. Stofzuigen, badkamer kuisen en studeren. Geen tijd voor de zus te voeren, no way. Dus ging Evelien met de fiets naar de fuif. Omstreeks 2u ’s nachts barstte het verwachte onweer los. Toen het om 3u buiten nog raasde rinkelde de telefoon ten huize Sylvie. Eefje om te vragen of de grote zus haar misschien toch niet kon komen halen? Het leek namelijk niet meteen te gaan stoppen met regenen. “Je hebt mij nu al wakker gebeld en ik moet morgen vroeg op hoor! Wacht nog even, het zal wel stoppen. Je bent nu met de fiets, anders moet ik morgen nog je fiets gaan halen ook zeker? Zover is het nu ook weer niet hé. Wacht tot het stopt met regenen en kom dan naar huis. Oké? En laat mij nu slapen!”

En dus wachtte Evelien nog even tevergeefs om dan samen met een vriendin toch door de dichte regen naar huis te fietsen. Om 6 uur ’s morgens ging de deurbel. Het kalf had zeker haar sleutel vergeten! Althans, dat dacht Sylvie. “Mevrouw, mogen wij even binnenkomen?” zei de man in blauw vergezeld door een vrouw. “Dit is Martine, zij werkt voor slachtofferhulp.” Het begon te dagen. “Uw zus is vannacht overleden”. Een donderslag bij heldere hemel deze keer. Aangereden door een personenwagen, een Fiat. De twee vriendinnen niet gezien door de dichte regen. 13 augustus 2001, 13/8, een onuitwisbare datum in het leven van Sylvie.

 

 

Erika werkte op de vijfde verdieping en was er 27, waarmee ze meteen ook de jongste collega was die ik ontmoet had. En vast ook de normaalste. Een dynamische persoonlijkheid in een vastgeroest geheel. Groot was haar opluchting toen ze eindelijk iemand over haar reis door Centraal- en Zuid-Amerika kon vertellen. Dat wil zeggen, iemand die wist waar Honduras, Nicaragua en Costa Rica zich op de wereldkaart bevonden. (Neen Franck, Honduras is geen Afrikaans land.) Daar had ze met een vriend en een vriendin twee maand vertoefd. Ze carpoolde naar het werk, maar binnenkort zou ze eens met de trein gaan. Verlof van haar (mede)chauffeur. Dan zouden we elkaar gezelschap houden op weg naar het werk. Ik kan het mij verbeelden, maar ze leek echt ontgoocheld toen ik haar vertelde dat ‘de nieuwe van het zesde verdiep’, ik dus, maar een tijdelijke was. Net nu ze een werkmaatje gevonden had. De band was er wel. Een mens leert een ander wel kennen als men vijf uur samen in een geblokkeerde lift doorbrengt. Jawel, week twee, op een dinsdagochtend. Tot een passionele vrijscène kwam het niet, maar het werd toch even warm toen we bij het thema ‘de eerste kus’ kwamen. Dé ontgoocheling van haar jeugd vertelde ze. Een natte, smaakloze kus op een chirofuif ter afsluiting van het kamp. Ik haalde herinneringen boven van mijn eigen chiro- en jeugdkampen. Daar werd wel eens braaf gezoend. Maar waar ik mijn eerste kus op de mond heb gegeven en gekregen kan ik mij niet meer herinneren. Dat zegt misschien genoeg over hoe onmemorabel het wel niet moet geweest zijn. Wel vertelde ik Erika over Elien. De jeugdliefde waar ik in het zesde leerjaar toch enkele maanden mee samen was, en waarmee ik mij het zoenen wel nog herinner. Kussen aan de bushalte. Oprecht mooie tijden.

 

Ludovic, jongste van drie kinderen, was vroeger een flierefluiter, maar wel een intelligente. Als student Burgerlijk Ingenieur in Brussel haalde hij zonder veel moeite hoge punten. Waardoor hem veel tijd restte om het nachtleven volop te beleven. Hoewel hij er een losbandige levensstijl op nahield, bleef hij trouw aan zijn vriendinnetje uit het middelbaar. Zij studeerde echter in Leuven, en dus pendelde ze vaak over en weer. Ludovic, Ludo of Vic voor de maten, ontdekte een nieuwe wereld. De idealen van de sixties hadden zich via de dampen van de opeenvolgende joints in zijn hersenen genesteld. Hij deelde dan ook alles met iedereen. Toen vriendin Tina overkwam voor een nachtje Brussel was er een heus feestje gepland. Drugs uit het Ruhrgebied en zelfgestookte drank. Natuur primeert. Die avond vloeide de drank rijkelijk, als in een bijbels verhaal. Na het uitproberen van allerhande pillerij ging het dak er helemaal af. Vic was na enkele uren wel verzadigd en keerde, ijl in het hoofd, huiswaarts. Tina keerde nooit meer terug. Wanneer Vic de volgende dag bij zijn vrienden te rade ging kon slechts een enkeling zich nog vaag herinneren dat Tina op een bepaald moment ook naar zijn kot was teruggewandeld. Omstreeks welk uur wist hij niet meer. Onbereikbaar op haar gsm, de vriendinnen die van niets wisten en ook in de verschillende ziekenhuizen was er geen Tina Maertens opgenomen. Dan maar naar de ouders bellen… Niets. Enkele dagen later werd Tina teruggevonden in een sluis van de Zenne. Twee grote hoofdwonden stelde de wetsdokter vast. Een uit de hand gelopen overval (?). Het deed Vic van zijn idealistische wolk afdalen, en zijn ‘kruidentuintje’ werd prompt bij het groot huisvuil gezet. Dertien maand en acht dagen, zolang was het koppel samen geweest.

 

 

Erika was alleen. Dat vertelde ze mij tijdens één van onze middagpauzes. Ze overwoog om een poes in huis te nemen, maar daar liet ik mijn duidelijke afkeer over blijken. Genoeg voorbeelden van mensen die hun poes als hun halve wederhelft gingen beschouwen. Akelig. Maar zolang ze maar geen hond in huis nam wilde ik mijn zegen wel geven. Naar wat ik hoorde was haar appartement bemeubeld met Ikeamateriaal. De muren gedecoreerd met foto’s van haar reizen en een sanseveria op de venstertablet. Ze had hem willen weggooien na het zien van dezelfde plant in ‘De Helaasheid der Dingen’, maar ze kreeg het niet over haar hart. Ze kookte graag, maar ze nodigde nooit vrienden uit voor een etentje. Dat kon ook niet, want ze had slechts een tweepersoonstafeltje. Waarom een grote tafel kopen als je alleen bent? Ze leek overtuigd van haar gelijk, dus knikte ik maar bevestigend.                                         Erika was niet altijd alleen geweest. Haar jeugdliefde had haar in de steek gelaten toen hij haar ongewenst had zwanger gemaakt. Die verdomde jeneveravond. Negentien was ze toen, en vastberaden om het kind te houden. Maar ze kreeg een miskraam, vertelde ze alsof het een fait divers was. Ik veegde de restjes krabsalade uit mijn mondhoeken, terwijl ik zag hoe Erika ineenkromp.

Na de pauze ging Erika al snel naar huis, ziek zei men mij. De rest van de week bleef ze afwezig. Vast de krabsalade.

 

 

Wannes was het meest recente lid van de bende wist Steven mij te vertellen. Als nieuwbakken monitor van de Christelijke Mutualiteit met de twaalfjarigen naar Ardèche in Frankrijk. Overdag wat spelletjes doen met de kinderen en ’s avonds pintelieren met de medemoni’s. Wannes zag het helemaal zitten. Op de zevende dag stond een dagje kajak varen op het programma. Het had de weken daarvoor stevig geregend, dus er stond flink wat water in de Ardèche. “Je pense que c’est trop dangereux pour les enfants”, had de verhuurder gezegd. Maar onder impuls van Wannes en bij gebrek aan alternatieve activiteit die dag werd er besloten om toch het water op te gaan. De eerste twee uren ging alles zonder noemenswaardige problemen. Op zo’n drie kilometer van het einde moest de volledige groep links houden, dat was zo aangegeven door de verhuurder. De route rechts leidde uiteindelijk tot hetzelfde eindpunt, maar door het hoge waterpeil kon de stroming daar weleens gevaarlijk zijn. Wannes peddelde een eindje voorop met de drie stoerste jongens van de groep met de rode sjaaltjes, en bij uitbreiding van het hele kamp. “Leider mogen wie niet rechts gaan? Dat ziet er veel leuker uit! Alé, please leider!”. Wannes twijfelde. Een uitstekend kajakker als hij zou eventuele problemen toch wel aankunnen? Boven, niemand zou het merken. Eén van de jongens had echter al voor Wannes beslist, waardoor er niks anders opzat dan die weg te volgen. Kwaad was Wannes niet. Nu was het tenminste niet zijn schuld dat ze rechts waren gevaren.

Toen Nicolas, nochtans de behendigste jongen van de drie, plots omkantelde sloeg de paniek toe. Wannes had de fout gemaakt vóór de jongens uit te peddelen. Hij had gedacht zo te kunnen tonen langs welke weg ze moesten ‘afdalen’. Puber zijnde volgde Nicolas de uitgestippelde weg natuurlijk niet, en daar lag hij dan. Kajak schuin geklemd tussen twee rotsen, Nicolas geklemd tussen kajak en rots en met enige moeite het hoofd boven water houdend. Natuurlijk hoorde Wannes de jongen schreeuwen, ja hij zag het probleem. Maar de jongen lag áchter hem. Wannes peddelde met alle kracht tegen de stroming in, maar kwam slechts centimeter per centimeter vooruit. De oevers op die plaats waren te stijl om zomaar even uit het water te klauteren. Schreeuwen, tieren, brullen om hulp. Blijven peddelen tegen de stroom in of hopen dat er iets verder een minder stijle wand was om uit te klimmen en zo terug te lopen? Maar hij was alleen. De twee andere jongens waren intussen weggedragen door de sterke stroming. Zij beiden wel nog in hun kajak. Althans dat hoopte Wannes toch. Na een tijdje kwam de kajak van Nicolas eindelijk los, net zoals de intussen bewusteloze Nicolas zelf. Wannes viste de voorbijdrijvende jongen uit het water en probeerde hem terug bij zijn positieve te brengen. Wat niet meteen lukte. Koortsachtig zocht Wannes naar een stukje land waar hij de eerste hulp kon toedienen. Hoelang het geduurd had vooraleer hij lapje grond langs de waterkant had gevonden weet hij zelf ook nog steeds niet. Eens Nicolas op de rug gelegd, kon Wannes wat hij geleerd had tijdens de EHBO-cursus toepassen. En zichzelf vervloeken dat hij toen niet beter had opgelet. Mond-op-mondbeademing en ritmisch duwen op de buik, dat was het plan. Toen er eindelijk hulp arriveerde, gealarmeerd door de twee andere jongens die intussen de anderen waren tegengekomen bij de samensmelting van de twee rivierdelen, had het noodlot al toegeslagen. Overlijden officieel vastgesteld om 13u08. Een abrupt einde van het CM-kamp in de Ardèche.

 

 

Jaarlijks vertelden het drietal hun verhaal aan elkaar. Om de gedachte vers te houden en stiekem misschien ook uit hoop dat er een vierde lotgenoot hun gedempt gesprek afluisterde. Elk op de dag dat het gebeurde. Elkaar hadden ze trouw beloofd. Als één iemand het licht uitdoet, of naar het licht gaat, zoals je het zelf maar wil zien; dan gaat de rest mee. Alleen waren ze zelf te laf om die laatste stap te zetten. Ze wilden gaan op dezelfde manier zoals zij hun slachtoffers hadden omgebracht: ongelukkig toeval. Toeval moest hen dat laatste duwtje geven. Wagon 138 was de sleutel. Het getal dat hen voor elkaar voorbestemd maakte. Ik merkte dat de nummering van de wagons steeds rond de hoge tientallen draaide. 116, 117, 119; één keer 124. Het zag er niet naar uit dat er meteen een einde zou komen aan hun treinritten.

 

In de voorlaatste week nam Erika dan toch eens de trein, net voor het verlengde weekend door een feestdag op vrijdag. Omdat ik haar al verteld had van de drie ‘losse vijzen’ in mijn wagon, en ze die wel eens wou zien, zou ik haar bellen eens ik op de trein zat. Het was al van bij de ochtend een doorweekte donderdag. Een paraplu was al helemaal nutteloos bij zoveel wind. Doordrenkt van die zomermoesson stapte ik de trein op en zocht mijn gebruikelijke wagon op. Nadat ik mijn vaste treinvriendjes van ‘het bezoek’ had verteld, waardoor ik die dag niet bij hen zou zitten, belde ik Erika op. Ik zei haar dat ze naar de voorlaatste wagon moest komen, dat ik haar een plaats zou houden, wat ik ook deed. En hoewel het een overbodige vraag was, vroeg ze het toch: “wat is je wagonnummer?”. “138”, zei ik.

 

Mijn ogen schoten naar het drietal, waar ik de blik vond van de blonde dame. Ze keek me aan zoals ze eigenlijk altijd keek. Holle blik. Ze draaide haar hoofd om het nummer te controleren en staarde mij opnieuw aan. Ik besefte de gewichtigheid van dat ene getal. Die rit was ik niet de meest babbelende treinpartner voor Erika.

 

 

 

Mijn laatste werkweek startte traditiegetrouw op maandag. Ik had vrijdag nog wakker gelegen van het voorval, maar barbecues op zaterdag en zondag hadden mijn gedachten verzet. Althans tot ik de treinwagon binnenstapte en de volledig lege zitbank zag. Een zitbank die normaal altijd gevuld was. Mijn ogen schoten naar Rudy, weer naar de bank en nu naar Steven. Zou het…?

 

 

 

 

 

 

Ik heb nu een nieuwe zitplaats op de trein. Als u naar Brussel moet kan u mij vervoegen, drie personen maximum. De voorwaarden zijn gekend.

Geplaatst in Fictionele werkelijkheid | Tags: , , | 5 reacties

Flandrien

Een aangename lichaamstemperatuur, een fris kopke en de benen goed los- en warmgereden. Juist voldoende snelle suikers binnen om mij niks aan te trekken van de kapotte voorrem. De Lange Boomgaardstraat indraaien vanop de Keizer Karelstraat. Vlot pedalerend, ademhaling perfect onder controle. Inademen langs de neus, uitademen langs de mond. Bij het oversteken van de net opgedroogde kasseien van de Vlaanderenstraat, richting Zuid, de gewaarwording. Een wieltjeszuiger van de ergste soort. Vetragingsmanoeuvres op de Kuiperskaai ten spijt, als eerste de licht hellende Lammerstraat oprijden. Nog even de rug stretchen en een tandje lichter schakelen; de grote finale zit eraan te komen. Kalm de Sint-Pietersnieuwstraat opdraaien om vervolgens stelselmatig iets sneller te gaan rijden, gat in het zadel. Het steilste stuk in zicht, even een blik achterom en dan op de trappers lopen om nooit meer terug te keren. Helemaal los en Sint-Pietersplein in zicht. Nog even alles eruit persen en dan, ja!, handjes boven het hoofd. Gewonnen.

 

Eindelijk, de Vlaamse klassiekers zijn terug.

Geplaatst in Dagelijkse dingen | Tags: , , | Plaats een reactie

Binnenkort!

Binnenkort keer ik terug! De inspiratie is er, de tijd ontbreekt.

Tot dan!

Geplaatst in Mededelingen | 5 reacties

Gary Jules – Mad World

Even bezinnen…

Geplaatst in Dagelijkse dingen, Muziek | Tags: , , | Plaats een reactie

Te ver

Opmerking: Ondanks het vertelstandpunt en de sterke persoonlijke toets gaat dit niet over mij en het zal voor zich spreken dat ik ook geen verdere hints kan geven over wie dit verhaal dan wel gaat. Pogingen zijn hopeloos. Lees en overpeins.

 

 

Aan het eind van mijn relaas zal je vast zeggen: “Je had het nooit mogen doen. Je had meteen duidelijk moeten zijn.” En ik weet, dit valt niet goed te praten. Ik vraag dan ook niet om medelijden of enig begrip. Ik ga gewoon, eerlijk en oprecht, vertellen wat en hoe het gebeurd is.

 

Het was ergens begin april. De eerste lentezon verlichtte de straten en de schapenwolkjes gaven de stralende lucht een speels karakter. Eindelijk was die verdomde paper af. Ik keek op de klok, die 9u55 aangaf, en besloot mijn meesterwerk nu al binnen te brengen. Ja, ik had pas les in de namiddag, maar dit gevoel van opluchting overheerste alles. Met enige trots schoof ik de papieren voorzichtig in mijn rugzak en ging de trap af. De fiets, de tram of te voet? Een mooie ochtendwandeling langs het water, waarom niet. U2 – Beautiful day, in de oren, lentekriebels in de buik. 

Dertig minuten later, het leken er vijf, gingen de schuifdeuren voor mijn neus open. Had er niemand gestaan, ik was de gang ingehuppeld; maar nu toch even niet. Mooi, werk binnen, langs de Veldstraat naar de Korenmarkt. Genoeg gewandeld, dacht ik bij mezelf, laat ik deze keer maar de tram nemen. Een beslissing die alles zou omkeren.

 

Ondanks dat er nog genoeg vrije zitplaatsen waren, stonden er toch een tiental mensen recht. Mensen die liever rechtstaan dan een bank te delen met een vreemde. Ik was ook niet meteen van plan mij naast de dubbelganger van de zakkenman te zetten of naast de de dame wiens haar wel een wasbeurt kon gebruiken. Mijn oog viel al snel op het meisje op de zitbank, net in het midden van de tram. Blik op oneindig, tas op haar schoot. “Les gehad of op weg naar?, vroeg ik.” -“Euhh, ja, gehad, biochemie” zei ze een beetje aarzelend. “Hoeveelste jaar?”. -“1e bachelor Biologie. Jij?” Ik vertelde haar wat ik deed, dat ik net mijn paper had ingediend en in een euforische stemming was. “Reden om te vieren dus”, zei ze. Ik bevestigde. “Toevallig zin om iets te gaan drinken?”.

Nog geen tien minuten later stonden we in de GB en pretendeerde ik een halve wijnkenner te zijn. Stiekem op zoek naar het etiket ‘Chardonnay’, maar dat hoefde ze niet te weten. Haar kot was niet zo groot, maar wel best gezellig. Ik knikte, “mooi”. “Ikea”, zei ze. Naarmate de fles halfleeg was kwam ik meer te weten over haar achtergrond. Vlaams-Brabant, één kleine zus en tennis in haar vrije tijd. Drie uur later kuste ik haar tot ziens. “Wacht!”, riep ze, “je nummer?”.

 

De dagen erna spraken we regelmatig af. ’s Middags en ’s Avonds. Babbelen, eten, glaasje wijn. Eens een Chablis, dan een Bordeaux. Rood, wit, rosé. Namijmeren over romantische komedies en de voorspelbaarheid ervan. Altijd op haar kot. Ik zou haar wel eens meenemen naar dat van mij, maar zei dat ik het dan eerst nog eens grondig moest poetsen. Het klikte wonderwel, het ging snel, te snel.

Afspraakje zeven eindigde om drie uur ’s nachts. Het weekend stond voor de deur, ik ging uit de deur. “Vang me op, want ik ben moe”, viel ze speels in mijn armen. “Daarom dat ik beter naar huis ga hé.” Afscheidskus en de fiets op naar huis, dacht ik. Traag en zacht drukte ze haar lippen op de mijne. Onverwacht. Op geen enkel moment had ik er aan gedacht dat er verliefdheid in het spel kon zijn. Ik had er nog niet bij stil gestaan of die studente biologie wel iets voor mij was. Er was een band, ze was niet onknap en ik was vrij. Dit flitste door mijn hoofd terwijl ik haar enigszins verlamd stond te kussen. “Tot maandag”. Op de terugweg naar mijn kot heb ik vast het record ‘staren zonder knipperen’ gebroken.

 

Foute beslissing, alweer. Ik had haar eerlijk moeten zeggen dat ik niet meteen iets voelde. Maar ze was knap en spontaan; ik dacht: “het komt misschien nog wel.” Bovendien zou de vriendschap wel eens over kunnen zijn, als ik haar had gezegd dat het ‘misschien beter was om vrienden te blijven’. Maar het gevoel kwam niet en zij liet me steeds verder in haar gevoelswereld doordringen. Ik onmoette haar vrienden. Die vertrouwden me toe hoe gelukkig ze wel was. Ik speelde het spel mee en besefte tegelijk dat ik mijzelf ongelooflijk diep in de nesten had gewerkt. ‘Een spel’, het klinkt onrespectvol, ik was het ook.

Week drie, dinner by candlelight, Spaanse wijn deze keer. Haar kot, over dat van mij had ze het niet meer gehad, laat staan dat ze wist waar ik op kot zat. Het eten was met veel liefde bereid, maar een keukenprinses was ze toch nog niet. De sfeer werd iets intiemer, gelukkig hield ik er deze keer wel mijn hoofd bij. Het is te zeggen, ik herinnerde mij ‘plots’ dat ik de ochtend erna een extra oefeningenles had, die ik zeker niet mocht missen.  Ik was al te ver gegaan, nog verder gaan liet mijn geweten echt niet toe. Ik pakte mijn spullen en voelde mijn hart een tel overslaan toen ze zei: “Je kan misschien morgen eens blijven slapen… .” Dat zou de eerste nacht samen worden; dat zegt genoeg, dacht ik. De deur, tot morgen, knuffel en kus. Het zou de laatste zijn.

 

We hadden afgesproken om 20u30, maar ze wist dat ik niet altijd even stipt was. Ik had de vorige nacht geen oog dicht gedaan en ook de dag was razendsnel voorbij gevlogen. Geen flauw benul hoe ik hier onderuit kwam, en iedereen die ik om raad zou vragen had mij vast niet kunnen helpen. Er was ook niemand van mijn vrienden die van haar bestaan wist. Om 20u10 nam ik de tram. Wit kleedje, bruine botjes en een bruine riem. Dat was de outfit die ze droeg op de bus en die ze vast ook vanavond aan had. 20u17, de halte waar ik moest zijn. Dertig passen van haar deur, ik was nog nooit zo zenuwachtig geweest. Ik wilde aanbellen, maar trok mijn hand terug. Tien minuten te vroeg, zei ik tegen mijzelf. Een kleine wandeling zou mij misschien deugd doen. Het werd 20u30, 21u, 21u15 -een sms-, 21u30, een telefoontje. Ik nam niet op; schakelde zelfs mijn gsm uit. Uren heb ik op die bank aan het water gezeten. Het was al diep in de nacht wanneer ik naar huis wandelde, zoveel gedachten die door mijn hoofd gingen. Ik passeerde langs het huis waar ze haar kot had. In tegenstelling tot de rest van de huizen, was haar licht nog aan. Enige tijd later lag ik in mijn bed.

 

Sindsdien heb ik haar berichten onbeantwoord gelaten, oproepen laten rinkelen en ‘onbekende nummers’ genegeerd. Mijn voicemail durf ik niet te beluisteren en als ik naar de les ging nam ik een kleine zij-ingang of ik bleef gewoonweg op mijn kot. Mijn schuilplaats waarvan zij de locatie niet kende. Een gelukkig toeval, toch voor mij. Ik voel mij rot, nog steeds, maar ik heb geen recht van spreken. Wat ik haar heb aangedaan is bijna onmenselijk. Zomaar verdwenen uit haar leven. Bijna ironisch dat, hoewel ik aanvankelijk niets zei over mijn ware gevoelens zodat ik haar niet hoefde te kwetsen; ik haar uiteindelijk nog veel harder gekwetst heb dan ik ooit had kunnen denken.

 

 

Op een dag kom ik haar, of één van haar vriendinnen, nog wel eens tegen. Die gedachte bezorgde mij al meerdere nachtmerries. Ik kan de tijd niet terugdraaien, tot mijn grote spijt. Ik weet het, deze keer ben ik te ver gegaan. Echt te ver.

Geplaatst in Dagelijkse dingen | Tags: , | 5 reacties

Hippies en pubers.

– “Kom je hier vaak?”
~ “Euhm, ik kom hier wel eens langs.”

~ “Jij?”
– “Soms; maar niet als de zon schijnt.”
~ “Ha, en waarom zou dat wel mogen zijn?”
– “De hippies en pubers die hier dan zitten.”
~ “Haha ja, ik weet wat je bedoelt. Maar het is hier toch aangenamer toeven bij mooi weer.”
– “Daar heb je een punt.”

 

 

 

De graslei bij regenweer.

Geplaatst in Dagelijkse dingen | Tags: , , , | 5 reacties

Jassen

Zo nu en dan ga ik wel eens shoppen. En als ik ga shoppen, kom ik altijd wel met iets naar huis. Simpelweg omdat ik altijd wel een nieuwe broek/trui/… kan gebruiken. Nu was ik met mijn geldschieters al een tijdje tot de consensus gekomen dat ik best wel een nieuwe jas kon gebruiken. Oké, mijn toen nog huidige jas was niet echt versleten, maar ik had genoeg van mijn ‘plastieken vest’ zoals ik ze wel eens noemde.

Een zonnige zaterdagvoormiddag leek mij de perfecte alliteratie om te gaan winkelen. Ik reed met de wagen naar Gent en parkeerde hem aan mijn kot. Het was lekker zonnig dus ik besloot om langs het water naar de veldstraat te fietsen. De mensen genoten duidelijk van de eerste zon en ik genoot van de schaars geklede jongedames. Ook de Gentse Zakkenman -hij kent waarschijnlijk de plaatsjes met mooie dames als geen ander- slenterde langs het water. Het viel me op dat hij slechts in één hand een zak vasthield. “Ik doe hem straks mijn zak cadeau”, dacht ik bij mezelf en fietste vrolijk verder.

Ik kuierde door de winkelstraten, een blik werpend op de etalages, zoekend naar iets wat me zou kunnen bevallen. Aan de hand van de kleren die voorhangen in de etalage kan ik namelijk toch al min of meer uitmaken of het de moeite is om binnen te gaan. Na reeds vier verkoopsters te hebben teleurgesteld kwam ik weer bij een uitstalraam dat mij wel beviel. Ik keek op mijn horloge dat mij kwart na elf meldde. Nog tijd genoeg dus en ik stapte binnen…     ( de schuifdeuren gaan bij mij altijd traag open ) .

Mijn ogen kruisten meteen met een meisje met zwart haar, zorgvuldig in een staart gebonden. Aangezien ze net als de verkoopsters een zwart pulletje en donkerblauwe jeans droeg, moest ze er ook één zijn. Ze droeg ook een naamkaartje en ze vouwde pulletjes; tot zover Sherlock Holmes.

Ik begaf mij naar de mannenafdeling waar ene Cindy -niet het meisje- mij vroeg of ze mij met iets kon helpen. “Ik zoek een jas, een stoffen jas, geen plastieken”, vertelde ik. Ook al klonk ik misschien lichtjes geïrriteerd, ik was het niet. Ik ben een passief shopper, dus verkoopsters (of eender iemand) zijn voor mij nodig. Voor de slechtverstaanders: passief shoppen houdt in dat iemand anders je kleren aanreikt en jij dan beslist of ze de moeite waard zijn om te passen. Nog voor Cindy mij de eerste jas kon aanprijzen als het ware haute couture, werd ze weggeroepen door het mooie meisje. “Ik kom zo terug“, riep Cindy mij nog toe.

Echter, het was niet Cindy maar mijn oogflirt die mijn richting uitkwam. “Cindy moest iets doen, ik kom u verder helpen”, zei ze vriendelijk. Wat? Pulletjes opvouwen? Dacht ik te zeggen toen ik Cindy bezig zag in de achtergrond, maar slikte mijn woorden in. “Ik zoek een jas, een stoffen jas, geen plastieken” zei ik tegen Julie; naamkaartje weet je wel. “Je hebt geluk”, zei ze, “voor mensen met jouw figuur is er altijd veel keuze”. Ze toonde me een eerste model. “Dit is dus wat ik noem een plastieken vest; ik wil een stoffen vest”, vertelde ik haar. Terwijl ze haar zoektocht verder zette naar een stoffen jas begon ze vragen te stellen. “Woon je in Gent of studeer je in Gent?”. Ik vertelde haar dat ik inderdaad op de UGent zat en welke richting ik deed. Ik kaatste de vraag terug. “Ja, Farmaceutica, 2e bachelor. Dit is mijn weekendjob.” antwoordde ze met haar zachte stem. “Oei, een farmaseutje” maakte ik de grap die ik zeker al tien keer gemaakt had in het verleden. Ze lachte en draaide zich om met een jas in haar hand: “Wat vind je hiervan, filoloog?”. “Goed, je snapt wat ik zoek, nu nog een mooi model uitkiezen” trok ik haar goede smaak in twijfel. “Zeg, moeilijken”, zei ze op een plagerige toon, en ze zocht verder. Mogelijk zei ze daarna nog iets, maar ik was te hard gefocust op haar mooi gevormd achterste omdat nog te horen.

De zesde jas wou ik wel eens aanproberen. Ze hield ‘m mij voor, zodat ik enkel nog mijn armen door de mouwen hoefde te steken. Ik keurde de jas in de spiegel en knikte goedkeurend. “Doe hem eens toe”, beval Julie mij en ze voegde zelf de daad bij het woord. “Het is belangrijk dat de jas goed aansluit, maar toch niet te strak zit.” Ik stamelde iets dat als “euhmhmm” moet geklonken hebben. “Jah, ik ben nog geen experte in mannen jassen, maar alleen door te oefenen zal ik het leren” zei ze op een ondeugende toon waarna ze me aankeek, haar wenkbrauwen één keer snel optrok en met haar tong sensueel haar lippen nat maakte. Mannen jassen… zou ze… neen… of toch?

Ik liet haar verstaan dat de jas goed zat, maar ze stelde toch voor om zelf  eens te voelen. Veel tijd om na te denken over hoe in godsnaam ze dat zou doen had ik niet; het leek wel alsof mijn denkgedrag op mijn gezicht af te lezen viel. “Ik ga met mijn hand voelen hoeveel ruimte er zit tussen uw lichaam en uw jas”. Ze wachtte niet op mijn toestemming om tot deze daad over te gaan en liet haar hand langs de voorkant onderaan mijn jas binnenglijden. Hierbij streelde ze een plek die bij elke gezonde man nogal gevoelig is. Ik beet op mijn lip en keek even weg; maar in mijn rechterooghoek bemerkte ik haar ondeugende glimlach.

Na een grondige betasting was Julie zeker; de jas zat als gegoten. Ik besloot tot kopen over te gaan en wandelde naar de kassa terwijl Julie de “privé” binnenging. Ik rekende af en stopte de rekening samen met het wisselgeld in mijn portefeuille, waarna ik mijn fietssleutje in de hand nam. “Wacht”, riep Julie -ik herkende haar stem inmiddels wel- me na. Ze stapte op me toe en deponeerde een opgevouwen briefje in de zak waar mijn jas zat. Waarna ze afscheid nam met de woorden: “Bedankt en tot ziens.”. Dat ze dit zei met een zeemzoeterige ondertoon hoefde ik eigenlijk niet meer te melden. Helemaal van mijn melk, maar wel met een glimlach op mijn gezicht fietste ik naar mijn kot.

 

 

We zijn nu twee weken verder en ik, ik ben heel erg tevreden met mijn nieuwe jas. Hij past werkelijk perfect. En de Zakkenman? Die loopt nu rond met een zak met daarin het telefoonnummer van een geile farmaceute.

Geplaatst in Dagelijkse dingen | Tags: , , , , , | 8 reacties

Petitie voor daklozen

Het begon allemaal zo’n paar weken geleden niet ver van mijn dakstudio aan het station. Ik was op weg naar de bakker toen ik werd tegengehouden door een jongen van vreemde origine; ik schat 14 jaar; met de vraag of ik een ‘petitie voor daklozen’ wou tekenen. Nu, omdat je voor je het weet een boot en een huis koopt met een krabbel, vroeg ik wat dit precies inhield. Een petitie voor daklozen? Wat willen ze ermee bereiken? Het openen van een opvangtehuis? De jongen bleek echter geen zin te hebben in een uitleg en duwde zonder een woord te zeggen het papier met balpen in mijn handen. Ik monsterde het papier met de hoop meer te weten te komen over de inhoud van het project. Tevergeefs; ik zag een slordig blad met een titeltje en kolommetjes voor naam; adres; telefoonnummer en handtekening. Ik was echt wel in een goede bui dus ach; waarom niet.
Net voor de pen het papier raakte om de eerste letter van mijn naam te laten verschijnen zei de jongen: “€2”. Ik vroeg nog eens: “Wat?”, waarop de jongen wederom “€2” antwoordde. Ik stopte hem zijn petitie en balpen terug in de handen met de woorden: “Neen, laat dan maar” en vervolgde mijn weg naar de bakker. €2 voor het tekenen van een petitie voor daklozen? Ik stelde mij danig vragen bij deze zogezegde petitie dat ik bij de bakker bijna €2 vroeg ipv. twee chocoladekoeken met banaan.

Even op een rijtje: Petitie voor daklozen :
– Inhoud onduidelijk
– Geen uitleg te bekomen
– Slordig papier
– €2 te betalen als je de petitie wil ondertekenen
– Bedrag werd niet op voorhand vermeld

Het woord ‘oplichterij’ spookte door mijn hoofd. Op mijn terugweg merkte ik dat de jongen niet alleen handelde, maar dat er ook nog twee meisjes de mensen aanspraken voor deze petitie. Een dertiger, duidelijk gehaast, kreeg het verwijt “fils de pute” naar zijn hoofd geslingerd door één van deze meisjes wanneer hij haar vlug afwimpelde. Het andere meisje noemde een niet onknappe studente een “vuile hoer”. Deze jongedame onderbrak haar wandel, draaide zich om en riep: “Wablieft?!”. Ik kruiste de studente en zei haar dat ze het moest negeren. “Jamaja zeg, mij zomaar een hoer noemen”, repliceerde ze. Ik legde haar kort uit dat het zaakje naar mijn mening niet pluis was en daar leek ze genoegen mee te nemen. Ze zette er weer de pas in; helaas zonder haar telefoonnummer achter te laten.

De week die volgde zag ik de jongeren, ze waren nu al met 5, weer in de buurt rond het station. Ondanks mijn poging kon ik een lid van de bende niet meer ontwijken. Ik zei dat ik niet geïnteresseerd was en werd daarvoor vriendelijk bedankt met een “klootzak”.
Nu was ik het zaakje al bijna vergeten toen ik gisteren tot mijn verbazing hoorde: “meneer, petitie voor daklozen”. Jawel, daar stonden ze dan in een iets oudere versie. In de Blandijn dan nog wel. Op slinkse wijze maakte ik mij uit de voeten.

Nu vraag ik mij terecht af hoe het nu zit met die petitie voor daklozen. Wat houdt ze in? Is ze nep? Of maken sommigen handig misbruik van deze gelegenheid om wat euro’s op te halen?
Google bracht me bij dit artikel.

U weze gewaarschuwd.

Geplaatst in Dagelijkse dingen | Tags: , , , | 2 reacties

2008

Jaja, het is zover, het einde van 2008. Ik ga het kort houden, 2008 was een absoluut kutjaar. Het minste jaar uit mijn leven tot nu toe. Het kan dus enkel beter; en indien niet mogen jullie volgend jaar mijn kist komen groeten.

Gelukkig Nieuwjaar iedereen!

Geplaatst in Dagelijkse dingen | 4 reacties

11 oktober

 – 11 oktober. De laatste keer dat ik blogde dateerde van twee dagen na mijn verjaardag, zo merk ik hierjuist. Ik werd er wel eens op gewezen, maar de inspiratie ontbrak. Hoewel het aantal drafts ondertussen ontelbaar zijn, verscheen er lange tijd niets. Nu merk ik dat de volledige lay-out van wordpress is aangepast. Bah. Verandering.

Mijn langdurige afwezigheid heeft ervoor gezorgd dat ik enkele zeer blogbare thema’s heb laten passeren; een kort overzicht:
– Barack Obama en de presidentsverkiezingen in de VS
– Forel met botersaus en Jeroen Meeus
– Beurscrisis
– Yves Leterme en de regering
– Ernst-Paul Hasselbach
– Music For Life

Ik heb nu wel nog enkele blogideetjes, we zien wel wat ik er mee doe.

Geplaatst in Dagelijkse dingen | Plaats een reactie