24 januari 2026

19 januari 2025
Afgelopen zondag ben ik toch nog even naar Voorlinden geweest om de tentoonstelling van Mark Manders te zien. Daar heb ik geen spijt van, het is bijzonder goede tentoonstelling moet ik zeggen. Eerder zag ik werken van hem in groepstentoonstellingen of museumcollecties en in een solo in het Museum voor moderne kunst in Nîmes. Aangetrokken door zijn idee van het zelfportret als gebouw waarin zijn binnenwereld getoond wordt toog ik naar Wassenaar om een tentoonstelling te zien waarin overwegingen van een kunstenaar beeldend gemaakt worden. Alles heeft met alles te maken en heeft dus context, processen worden getoond in een reis terug in de tijd. De tentoonstelling begint met een aantal werken in de context van de museumruimtes, modernistische lege plekken waarin in wanden of op de vloer werken te zien zijn van de kunstenaar. Een installatie is als een gedicht: ze is voor een grote glazen wand geplaatst waardoor de prachtige omgeving van het museum te zien is waarin Lakenvelder koeien rustig grazen aan de rand van een meertje. Het is een manier om zich tot de omgeving en de tijd te verhouden lijkt mij. Tijd is een element in het werk, evenals taal. De kunstenaar zegt dat hij in 1986 is begonnen te schrijven aan een ruimtelijk 3D boek, hij ziet dat zelfportret en dat gebouw dus als een verslag, niet met letters geschreven, maar met objecten en ruimtes.
Toch werkt hij wel met taal, hij maakt kranten met alle woorden die in het Engels voorkomen en speelt met taal om de tijd stil te zetten zoals in het werk Head with Falling Earring. De kamer Room with Three Dead Birds and Falling Dictionary is een ode aan de taal en haar mogelijkheden. Ook hier wordt de tijd stil gezet door de woordenboeken in hun val weer te geven: ze zijn een momentopname, zoals de taal die wij spreken. Ze verandert altijd en is nooit het zelfde. Het fond van de schilderijen bestaat uit beschilderde kranten waarin alle op dit moment bekende woorden in het Engels gedrukt staan in nonsensicale combinaties. Op de vloer ligt een groot schilderdoek waaronder drie dode vogels liggen. Het vormt een zachte vloer waardoor het lopen wat onzeker wordt, als in verse sneeuw. Daarnaast geeft de wetenschap dat je op een dode vogel kunt trappen nog meer onzekerheid waardoor een nogal ongemakkelijk bewegen het gevolg is.
Dan komen we in een grote zaal met tafels omringt door lockers. Het gedeelte heet landschappen. De kunstenaar wilde naar buiten en besloot landschappen te maken, maar deed dat wel binnen. Op de lockers hangen foto’s van wolkenluchten. Op de tafels staan werken waarin hij een gevoel of een gedachte probeert te vangen. Deze werken zou je impressionistisch kunnen noemen. Alle gekleurde geometrische vlakken die als achtergrond of element in een groter geheel worden gebruikt hebben atmosferische kleuren. Door de opeenvolgende beelden krijg ik de associatie met zinnen, uitspraken, samengestelde groepen met hier en daar kleine notities onder de tafel. Het zijn koppen, combinaties met koppen, abstracte ensembles met vaak een touwtje er in verwerkt, een halve doorgezaagde typemachine met een blauw-grijs rechthoekig vlak er achter. Aan het einde van de tafel hangt een dier aan de tafel dat er uit ziet als een opgegraven overblijfsel uit een ver verleden, het werkt als een repoussoir.
Als we verder lopen zien we met plastic behangen wanden met afscheidingen die ook van plastic zijn. De kunstenaar zegt dat hij in zijn atelier ook aparte ruimtes maakt door plastic wanden te plaatsen waarin hij dan aan een werk bezig gaat. Aan het plastic hangen tekeningen. In deze ruimtes staan vier grote koppen waarin vierkante gele vlakken zijn geslagen. De koppen staan op zelf van u-balken gemaakte stalen dragers , ze refereren aan figuren van Piero della Francesca en zijn van beschilderd brons.
In de laatste ruimte staan twee fabrieken met stenen schoorstenen zoals de Chirico ze schilderde met tafels en stoelen er om heen. Ik krijg hier de indruk van een jeugdherinnering zoals ik bij wel meer elementen in Manders werk heb.
Naar het einde van de tentoonstelling zijn drie zalen met ouder werk. Het zijn meer ruimtelijke assemblages waarin elementen uit het latere werk al wel te herkennen zijn. Hier valt het verschijnsel sciapod op: figuren die met hun voet omhoog schaduw geven op hun hoofd. Ik kan me voorstellen dat alleen het figuur al intrigeert en inspireert, maar Manders onderzoekt het verschijnsel uitvoerig en manipuleert het ook enigszins.
Al bij al is het een hecht opgebouwde tentoonstelling waarin de bewerkte kleikoppen overheersen. Het is ongelofelijk dat het voor het overgrote deel beschilderd brons is. De koppen hebben geen persoonlijke kenmerken, maar de manier waarop ze gemanipuleerd zijn (vergroot, doorgezaagd, ingezaagd etc.) doet vermoeden dat het daar ook niet om gaat. Wel wordt in diverse werken naar mijn idee aan de kunstgeschiedenis gerefereerd en daar bedoel ik niet alleen klassieke kunstwerken. Het surrealisme is ook regelmatig aanwezig.






























11 januari 2026
Het nieuwe seizoen opende bij galerie Maurits van de Laar met een duo-tentoonstelling van David Bade en Jordan Herregraven. Bij binnenkomst van de ruimte voel ik me direct overdonderd door de veelheid van werken die de galerie in een visuele jungle transformeren. Schilderijen hangen op verschillende hoogtes aan de wand en op de vloer staan overal beelden die nogal primitief aandoen. Herregraven ken ik van romantische grafiek, waar ook in deze expositie voorbeelden van te zien zijn. Ze zijn omlijst met abstracte kleurvlakken. In deze expositie toont hij ook verrassende beelden die door een virtuoos materiaalgebruik bij nadere beschouwing minder primitief blijken dan bij eerste beschouwing lijkt. Het zijn ruimtelijke collages waarvan houten onderdelen de basis vormen van fantasiewezens. De kleuren zijn nogal gedempt, geheel in tegenstelling tot de beelden die Bade laat zien. Ook dit zijn assemblages waarin bij sommigen katholieke beelden uit een obscuur museum in Brabant onderdeel van uit maken. Dit is eerder grootstedelijk werk dat op een nogal funky wijze moderne mythen verbeeldt. De schilderijen die hij toont hebben ook met grootstedelijke verschijnselen te maken. Ze zijn gemaakt met een on-Nederlands kleurenpalet en stralen een tropisch levendigheid uit. In de linker ruimte aan het einde van de galerie komt die levendigheid helemaal tot zijn recht: de schilderijen zijn on-hiërarchisch naast boven en onder elkaar gehangen om een groot geel beeld. Het vormt voorwaar een energiek geheel dat door de combinatie van een westerse creativiteit met die van iemand die het leven in het mondiale zuiden toont ook nog een actuele kant heeft.






10 januari 2025

The Estorick Collection en ook in Parijs bij Thaddaeus Ropac